Naar boven ↑

Rechtspraak

rector magnificus/raad van toezicht van de University of Curaçao
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 21 januari 2014
ECLI:NL:OGEAC:2014:3

rector magnificus/raad van toezicht van de University of Curaçao

Ontslagen rector magnificus UNA die civiele rechtsgang start, komt verschoonbare termijnoverschrijding inzake bestuurlijke rechtsgang toe.

(Vervolg op AR 2013-0629.) Eiser is op 1 december 2001 in dienst getreden bij de UNA als wetenschappelijk hoofdmedewerker. Bij separate beschikkingen van 25 augustus 2011 is eiser ontslagen als RM en wetenschappelijk hoofdmedewerker. Eiser heeft daartegen pro forma bezwaarschriften ex artikel 55 van de Landsverordening administratieve rechtspraak ingediend op 21 september 2011. Voorts is eiser een civiele procedure aangevangen door het indienen van een verzoekschrift op 26 september 2011 bij de burgerlijke rechter. In kort geding en in eerste aanleg in de bodemprocedure is eiser ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en zijn deze toegewezen. Eerst in hoger beroep in de bodemprocedure heeft het hof geoordeeld dat de burgerlijke rechter niet de juiste rechtsgang is en eiser alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft naar aanleiding van deze uitspraak van het hof op 28 juni 2013 een beroepschrift ex artikel 15 van de Landsverordening administratieve rechtspraak ingediend ter griffie van het gerecht (hierna ook aangeduid als bestuursrechter). De UNA stelt zich op het standpunt dat eiser te laat is met zijn vorderingen omdat hij niet tijdig is opgekomen tegen de fictieve weigering om op zijn bezwaarschriften te beslissen.

Het gerecht oordeelt als volgt. Bij eiser kon terecht onzekerheid bestaan over de te volgen rechtsgang. Ondanks het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt. De burgerlijke rechter heeft echter, voor ommekomst van de beroepstermijn op 3 maart 2012, vonnis gewezen op 20 december 2011, en zich daarbij bevoegd geacht een oordeel te geven over de in geschil zijnde ontslagbesluiten. De burgerlijke rechter heeft zich in de bodemprocedure bovendien uitdrukkelijk uitgesproken over zijn bevoegdheid. Verweerders hebben zich eveneens op het standpunt gesteld dat de burgerlijke rechter bevoegd was, althans hebben zich daar niet tegen verzet. Zowel betrokken partijen als de burgerlijke rechter in eerste aanleg verkeerden in de veronderstelling dat de burgerlijke rechter bevoegd was ten aanzien van de in geschil zijnde ontslagbesluiten. Gelet hierop, en onder verwijzing naar de overwegingen van de burgerlijke rechter in het vonnis van 20 december 2011 en 5 juni 2012, kan eiser niet worden verweten dat hij eerst na uitspraak van het hof een beroepschrift heeft ingediend tegen de fictieve weigering van verweerders om op de ingediende bezwaarschriften te beslissen. Daarbij is van belang dat eiser dit beroepschrift na kennisneming van de uitspraak van het hof, onverwijld heeft ingediend bij de griffie van de bestuursrechter.