Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 21 maart 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:2792
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 1 juni 2008 in dienst als productiemedewerker/parketlegger. Vanaf 18 oktober 2013 is hij wegens ziekte arbeidsongeschikt. Werknemer heeft op 14 november 2013 een ontbindingsverzoek ingediend. Werkgeefster stelt dat de arbeidsovereenkomst reeds op 31 december 2013 na verkregen toestemming van het UWV WERKbedrijf wegens bedrijfseconomische redenen door opzegging is geëindigd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat werknemer niet weerspreekt dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2013 geëindigd is en zelfs de verzochte ontbinding niet voorwaardelijk vraagt (namelijk voor het geval later in rechte zou komen vast te staan dat er nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen vigeert), kan hij thans niet langer in zijn verzoek ontvangen worden. Bij gelegenheid van de gehouden tweede mondelinge behandeling op 11 februari 2014 verklaarde werknemer echter (de grondslag van) zijn op 14 november 2013 ingediende verzoek te handhaven, zodat daarop alsnog beslist dient te worden. Het verzoek noch de door werknemer aan zijn verzoek ten grondslag gelegde reden is thans nog actueel. Er bestaat immers geen arbeidsovereenkomst meer tussen partijen. Ontbinding op grond van het bepaalde in artikel 7:685 BW is dan uitgesloten omdat deze niet met terugwerkende kracht uitgesproken kan worden. De ontbindingsprocedure leent zich voorts ook niet voor het geldend maken van aanspraken die ontstaan zijn in de loop van het dienstverband, waaronder in ieder geval te denken valt aan gepretendeerde rechten op achterstallig loon. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.