Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Stadsmuseum Woerden
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 26 maart 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:1212

werknemer/Stichting Stadsmuseum Woerden

Conservator is drie keer door inlening via een derde partij werkzaam geweest voor stadsmuseum. Zij is niet in dienst getreden van het stadsmuseum. Toepassing arrest ABN AMRO/Malhi.

X is vanaf januari 2000 tot 1 juni 2013 werkzaam geweest als conservator bij Stadsmuseum Woerden. In de periode januari 2000 tot april 2001 zijn de werkzaamheden verricht op basis van een uitzendovereenkomst. Aansluitend is zij in dienst getreden bij de Stichting Sociaal Kultureel Werk en van daaruit gedetacheerd bij Stadsmuseum Woerden. Per 1 januari 2008 is zij in dienst getreden bij Stichting Kunstencentrum Het Klooster (hierna: Het Klooster), van waaruit zij wederom bij Stadsmuseum Woerden gedetacheerd is. Stadsmuseum Woerden heeft de overeenkomst van inlening met Het Klooster opgezegd tegen 1 mei 2013. Vervolgens heeft Het Klooster de arbeidsovereenkomst van X wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. In de onderhavige procedure stelt X dat zij in dienst is van Stadsmuseum Woerden. Zij stelt onder andere dat zij op basis van een payrollconstructie voor Stadsmuseum Woerden werkzaam is geweest.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het Klooster wordt niet als payrollbedrijf aangemerkt, omdat het hier niet lijkt te gaan om beroepsmatige terbeschikkingstelling van personeel, maar een vorm van ondersteuning waarbij Het Klooster extra taken op zich heeft genomen, die niet horen bij de primaire doelstelling van Het Klooster. Wel is net als bij payrolling sprake van een (vergelijkbare) arbeidsrechtelijke driehoeksverhouding. De relatie tussen X en Stadsmuseum Woerden kan feitelijk niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd worden. Er kan niet lichtvaardig aan voorbij gegaan worden dat Stadsmuseum Woerden welbewust met Het Klooster gecontracteerd heeft en niet rechtstreeks met X. X heeft ten aanzien van haar eigen positie evenmin gesteld of nadere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit begrepen had moeten worden dat zij van mening was wel bij Stadsmuseum Woerden in dienst te treden of waaruit zou volgen dat X met de feitelijke gang van zaken niet kon instemmen. In verband met de rechtszekerheid dient terughoudendheid in acht genomen te worden om in weerwil van de gemaakte afspraken toch een arbeidsovereenkomst tussen X en Stadsmuseum Woerden aan te nemen. Een geruisloze vervanging van een inleenovereenkomst door een arbeidsovereenkomst kan immers niet worden aangenomen (HR 5 april 2002, ABN AMRO/Malhi). Daarbij komt dat het hier niet gaat om de vraag of de overeenkomst tussen (dezelfde) partijen als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden, maar om de vraag met wie de arbeidsovereenkomst bestaat. Het arrest ABN AMRO/Malhi weegt in dit geval zwaarder dan de jurisprudentie die ziet op de kwalificatie van de overeenkomst tussen dezelfde partijen (zoals het arrest Groen/Schoevers). Het standpunt van X dat er – gelet op de bijzondere situatie – aanleiding bestaat om naast eventuele ‘formele kennelijk onredelijkheid’ ook ‘materiële kennelijk onredelijkheid’ aan te nemen, op grond waarvan Stadsmuseum Woerden dan toch uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag aangesproken kan worden, wordt niet gevolgd, omdat een wettelijke bepaling hiertoe ontbreekt. Volgt afwijzing van de vordering.