Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 maart 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:2095

werkgeefster/werkneemster

Ontbinding arbeidsovereenkomst lid raad van bestuur zorginstelling wegens reorganisatie. Mede gelet op BBZ en WNT is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de contractueel overeengekomen en aangeboden vergoeding van € 130.000.

Werkneemster is in 1985 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) werkgeefster, een organisatie voor Jeugd- en Opvoedhulp. Per 1 januari 2009 is werkneemster benoemd tot lid van de raad van bestuur. Er is toen een arbeidsovereenkomst gesloten waarin is overeengekomen dat indien de arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van werkgeefster, werkneemster aanspraak kan maken op een schadevergoeding met een maximum van tweemaal het laatstgenoten jaarsalaris. Op 15 november 2012 is door partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst getekend. In de considerans is vermeld dat de raad van toezicht na overleg met werkneemster, de Beloningscode voor Bestuurders in de Zorg (hierna: BBZ) integraal heeft toegepast voor het vaststellen van de beloning. Vermeld wordt dat op deze arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, de BBZ van toepassing is zolang en zoals deze tussen NVTZ en NVZD geldt. In deze arbeidsovereenkomst is een schadevergoeding bij tussentijdse beëindiging op initiatief van werkgeefster overeengekomen van maximaal het laatstgenoten jaarsalaris (€ 130.000 bruto). Als gevolg van herziening van de topstructuur is de functie van werkneemster komen te vervallen. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding van € 130.000. Werkneemster verzoekt een hogere vergoeding toe te kennen en beroept zich onder meer op de kantonrechtersformule en de in 2009 overeengekomen beëindigingsvergoeding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de functie van werkneemster als gevolg van een reorganisatie is komen te vervallen en dat er geen passende alternatieve functie voorhanden is. De arbeidsovereenkomst wordt derhalve ontbonden. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de omvang van de toe te kennen vergoeding. De BBZ en de WNT zijn op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing. Anders dan werkneemster heeft bepleit, zal bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding niet de kantonrechtersformule als uitgangspunt gelden, maar de WNT. Hoewel de kantonrechter niet gebonden is aan de overeengekomen beëindigingsvergoeding, kan niet voorbij worden gegaan aan de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 15 november 2012. Overeengekomen is dat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgeefster, werkneemster aanspraak heeft op een vergoeding van € 130.000 bruto. Werkgeefster heeft hiermee de overeengekomen beëindigingsvergoeding (meer) in overeenstemming willen brengen met de normen van de BBZ en de WNT die korte tijd later, per 1 januari 2013, in werking trad. Aangenomen wordt dat de wijziging van deze arbeidsvoorwaarde na overleg met werkneemster is overeengekomen zodat zij bewust was, althans kon zijn, van de voor haar nadelige gevolgen van de aanpassing in geval van ontslag. Niettemin heeft werkneemster met de wijziging ingestemd.

Werkneemster heeft het standpunt bepleit dat de laatst overeengekomen aanpassing (die van 15 november 2012) ongeldig is omdat deze niet meer onder het overgangsrecht van de WNT valt ten gevolge van de reparatiewetgeving die recentelijk door de Tweede Kamer is aangenomen. Aan de verwijzing naar het wetsvoorstel Aanpassingswet WNT gaat de kantonrechter voorbij omdat dit wetsvoorstel nog niet door de Eerste Kamer is aangenomen en daardoor nog geen wet in formele zin is. Van een (op dit punt) ongeldige arbeidsovereenkomst op 15 november 2012 en een ‘herleving’ van de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2009 kan dan ook geen sprake zijn, nog daargelaten dat een achteraf gebleken ongeldige wijziging van een beding, het beding dat partijen wilde wijzigen niet weer bindend doet zijn. De norm ten aanzien van beëindigingsvergoedingen is zowel in de BBZ als in de WNT gesteld op één jaarsalaris maximaal (tot ten hoogste € 75.000, art. 2.10 WNT). Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die voldoende aanleiding geven om een hogere vergoeding dan de overeengekomen en aangeboden vergoeding van € 130.000 bruto toe te kennen.