Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 maart 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:4198
centrale ondernemingsraad van Shell in Nederland/Shell Nederland B.V.
Shell heeft met ingang van 1 juli 2013 een nieuwe pensioenregeling in Nederland ingevoerd voor werknemers van Shell die met ingang van die datum in dienst treden. Dit betreft een zogeheten Individuele Beschikbare Premie (IBP)/Individual Defined Contribution (IDC)-regeling. Tussen de COR en Shell heeft voorafgaande aan de invoering van voormelde IDC-regeling geruime tijd intensief overleg plaatsgevonden. Shell heeft bij brief van 20 november 2012 aan de COR meegedeeld dat een individueel beschikbare premieregeling (IBP) zal worden ingevoerd met, indien mogelijk, een collectief element in de vorm van een Collectieve Conditionele Annuïteit (CCA)-module. In een presentatie aan de COR op 7 mei 2013 heeft Shell (enkele) details beschreven van de per 1 juli 2013 in te voeren pensioenregeling. Bij brief van 7 juni 2013 heeft de COR de nietigheid ingeroepen van de besluiten die zijn genomen ter implementatie van de nieuwe pensioenovereenkomst en de onderbrenging ervan bij het nieuwe pensioenfonds. De COR stelt dat op grond van artikel 27 lid 1 onder aanhef en onderdeel a WOR sprake was van een instemmingsplichtig voorgenomen besluit en dat aan de COR geen instemming was gevraagd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Met de brief van 20 november 2012 waren aan de COR alle essentialia van het genomen besluit over de nieuwe pensioenregeling bekend. De stelling van de COR dat de CCA-module uit de pensioenovereenkomst is verdwenen, is door Shell genoegzaam weerlegd met de mededeling dat deze zal worden geïmplementeerd zodra de wetgeving dit toelaat. De COR wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij pas tijdens de presentatie van Shell op 7 mei 2013 op de hoogte is geraakt van enkele details van de nieuwe pensioenregeling. In de conceptpensioenregeling nieuwe medewerkers van 5 juni 2012 meldt Shell deze uitwerking van de nieuwe pensioenregeling immers al. Dit brengt mee dat de omstandigheden waarop de COR zijn standpunt baseert dat er in wezen sprake is van een verzekerde pensioenregeling verpakt in een (pseudo)pensioenfonds, al vóór 7 mei 2013 aan de COR zijn meegedeeld. Nu de COR eerst bij brief van 7 juni 2013 schriftelijk de nietigheid van het voorgenomen besluit van Shell heeft ingeroepen betekent dat dat de COR de nietigheid niet binnen de wettelijke termijn van een maand heeft ingeroepen, zodat dat beroep op de nietigheid door de COR geen effect sorteert. Met voormeld oordeel is gegeven dat de COR niet kan worden ontvangen in het verzoek het besluit van Shell nietig te verklaren. Het verweer van Shell dat de COR door het entameren van deze procedure misbruik maakt van procesrecht gaat niet op. Voor zover Shell aan dit verweer ten grondslag heeft gelegd dat zij deze procedure ziet als een protestactie vermomd als juridische procedure verdraagt zich dat niet met de daarna ter zitting door haar directeur uitgesproken mededeling dat het vertrouwen tussen COR en directie is hersteld. Ook volgt de kantonrechter Shell niet in haar standpunt dat sprake is van misbruik van procesrecht omdat de verzoeken, alle omstandigheden in aanmerking nemend, evident ongegrond zouden zijn. De door Shell ex artikel 22a WOR verzochte proceskostenveroordeling wordt afgewezen.