Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoekster/verweerder
Hoge Raad, 18 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:943

verzoekster/verweerder

Doorbrekingsgronden appelverbod zijn ook van toepassing op een deelgeschilprocedure ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van artikel 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan. De omstandigheid dat het deelgeschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst vormt geen doorbrekingsgrond.

Verweerder heeft op 18 augustus 2010 letsel opgelopen bij een arbeidsongeval. Hij was voor verzoekster werkzaam als sloper op een bouwlocatie aan de Haarlemmerstraat in Amsterdam. Op de eerste verdieping is hij op de randbeveiliging van een trapgat gaan zitten om koffie te drinken. Vervolgens is hij door de randbeveiliging gezakt en in het trapgat gevallen. Ten tijde van het arbeidsongeval was verweerder in dienst van een uitzendbureau. Verweerder heeft verzoekster aansprakelijk gesteld voor zijn schade als gevolg van het arbeidsongeval. Verweerder heeft de kantonrechter op de voet van artikel 1019w Rv (deelgeschil) verzocht (1) voor recht te verklaren dat verzoekster haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW jegens hem niet heeft nageleefd en aansprakelijk is voor zijn letselschade als gevolg van het arbeidsongeval, (2) de kosten van de procedure op de voet van artikel 1019aa Rv te begroten op € 15.221,33, en (3) verzoekster c.s. hoofdelijk in die kosten te veroordelen. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen. Tegen dit oordeel is verzoekster in hoger beroep gegaan bij het hof. Het hof heeft verzoekster niet ontvankelijk verklaard, stellende dat een hogere voorziening op grond van artikel 1019bb Rv is uitgesloten en het beroep van verzoekster op de zogenoemde ‘doorbrekingsgronden’ in casu niet opgaat.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Met de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Stb. 2010/221) is beoogd te bevorderen dat geschillen over letsel- en overlijdensschade eenvoudig en voortvarend door middel van een minnelijke regeling kunnen worden afgewikkeld (Kamerstukken II 2007/08, 31518, 3, p. 2). Deze doelstelling gaf aanleiding om wettelijke beperkingen te stellen aan het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beschikking in een deelgeschil (Kamerstukken II 2007/08, 31518, 3, p. 13 en 19-23). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever meent dat het openstellen van een rechtsmiddel in de deelgeschilprocedure zich bezwaarlijk verdraagt met de ratio van die procedure, maar aan de rechtspraak heeft willen overlaten of de in artikel 1019bb Rv voorgeschreven uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat een zodanige doorbreking mogelijk is indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het rechtsmiddelenverbod van artikel 1019bb Rv anders te oordelen. Daarbij verdient het volgende opmerking. De beschikking op een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv kan bindende eindbeslissingen behelzen op geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen. In dat geval staat in zoverre een rechtsmiddel open (art. 1019cc lid 3 Rv), en daarin zou aanleiding kunnen worden gevonden om doorbreking niet toe te staan (vgl. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556). De beschikking kan echter ook beslissingen van andere aard omvatten, en niet steeds behoeft op voorhand duidelijk te zijn wat de precieze reikwijdte van zodanige beslissingen is. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt onderkend dat grensgevallen denkbaar zijn tussen beslissingen die ingrijpen in de materiële rechtsverhouding van partijen en beslissingen over meer processuele aspecten (Kamerstukken II 2007/08, 31518, 3, p. 20-21). Of een bepaald wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken, vraagt uit een oogpunt van rechtszekerheid om een ondubbelzinnig antwoord. Gezien de fundamentele strekking van de hiervoor bedoelde rechtspraak, zal dat antwoord de rechtsbescherming moeten waarborgen die in die rechtspraak wordt verleend. Daarom moet worden aangenomen dat de hiervoor weergegeven doorbrekingsgronden kunnen worden ingeroepen met betrekking tot een beschikking op de voet van artikel 1019w Rv, ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van artikel 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan. Het middel slaagt. 

Opmerking verdient nog het volgende. Anders dan verzoekster c.s. betogen, levert de stelling dat beëindiging van een deelgeschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering als bedoeld in artikel 1019x lid 3 aanhef en onder a Rv, geen doorbrekingsgrond op (vgl. HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1076, NJ 1993/758). Indien met een beroep op een doorbrekingsgrond een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beschikking in een deelgeschil, zijn ook in dat geding de bepalingen van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade van toepassing.