Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Brink Groep B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 25 maart 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:980

werkneemster/Brink Groep B.V.

Uitleg vaststellingsovereenkomst inzake de waarde van de certificaten ‘conform de daarvoor geldende regeling(en)’. Financiële werknemersparticipatie en afwikkeling bij ontslag.

Werkneemster is als directiesecretaresse van 1 juni 2007 tot 1 oktober 2010 in dienst van Brink Groep werkzaam geweest. In 2008 is Brink Groep Invest (hierna: BGI) opgericht teneinde het aandelenbezit onder de medewerkers van Brink Groep te faciliteren. In 2008 heeft werkneemster 1060 certificaten van aandelen in BGI (hierna: de certificaten) gekocht voor een bedrag van € 34,13 per certificaat, derhalve in totaal € 36.177,80. Brink Groep was geen partij bij die overeenkomst. De certificaten zijn ondergebracht bij de Stichting Administratiekantoor Personeelsaandelen Brink Groep (hierna: SAP). De Stichting houdt 10% van de aandelen in BGI. Als certificaathouder was werkneemster gebonden aan de Administratievoorwaarden en het bijbehorende Huishoudelijk Reglement van SAP. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd. Op grond van de voorwaarden SAP heeft werkneemster recht op verzilvering van haar certificaten. In de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen is gesloten is over de certificaten opgemerkt dat deze conform de daarvoor geldende regeling(en) zouden worden verzilverd. Door werkneemster is – als gezegd – een bedrag van € 36.177,80 voor de aankoop van haar certificaten betaald, terwijl er aan haar voor de terugverkoop van die certificaten een bedrag is betaald van € 69.578,40. Daarnaast heeft werkneemster in 2009 en 2010 in totaal € 10.600 aan dividend ontvangen. Met haar participatie heeft zij aldus een winst (incl. dividend) behaald van € 44.000,60 (geen rekening houdende met rentederving over het aanschafbedrag). In geschil is de waarde van de certificaten van werkneemster bij het einde van de arbeidsovereenkomst, 1 september 2010. Op grond van artikel 02.2 van het Huishoudelijk Reglement dienden die certificaten op dat moment door werkneemster aan SAP te worden aangeboden. De waarde van die certificaten is gelijk aan de waarde van de (corresponderende) aandelen in BGI en wordt steeds vastgesteld in de AVA van die vennootschap. Werkneemster stelt dat haar bij brief van 26 maart 2010 is toegezegd, althans dat zij aan die brief de verwachting mocht ontlenen, dat de waarde van haar certificaten zou worden vastgesteld op basis van de op 26 maart 2010 geldende formule van artikel 8.6 van het Aandeelhoudersreglement, toegepast op de jaarcijfers 2009. Op 26 maart 2010 waren de voorlopige jaarcijfers 2009 bekend en was er reeds een AVA gepland voor 28 juni 2010, waarin de nieuwe waarde van de aandelen aan de hand van genoemde formule zou worden vastgesteld. Uit de memo van 8 maart 2010 (die werkneemster in haar functie als directiesecretaresse heeft uitgewerkt) blijkt ook dat het ‘zo goed als definitief vaststond’ dat de aandelen op 28 juni 2010 aldus zouden worden gewaardeerd. De jaarcijfers 2009 waren buitengewoon goed en binnen de onderneming van Brink was dit een ‘hype’. Werkneemster heeft vanwege de verwachte hoge waardering van het aandeel/certificaat gekozen voor een vertrekregeling waarbij het einde van de arbeidsovereenkomst na de AVA van 28 juni 2010 zou vallen. De waarde van de aandelen BGI is echter niet op 28 juni 2010 vastgesteld, maar later, op basis van een nieuwe formule. De waarde van het aandeel op basis van deze nieuwe formule is lager dan die berekend op basis van de ‘oude’ formule, namelijk € 65,54 in plaats van € 113,70. Werkneemster heeft door deze lagere waardering € 50.943,60 minder voor haar 1060 certificaten ontvangen. Voor deze lagere opbrengst is Brink aansprakelijk en dient zij de door werkneemster geleden schade te vergoeden.

Het hof oordeelt als volgt. De waardebepaling is uiteindelijk de exclusieve bevoegdheid van de AVA van BGI, en dus niet van de directie, raad van commissarissen of Brink. Deze organen kunnen niet worden vereenzelvigd. Werkneemster mag er als directiesecretaresse – die zoals zij stelt alle directievergaderingen, aandeelhoudersvergaderingen en vergaderingen van de raad van commissarissen bijwoonde en van die vergaderingen de notulen maakte – mee bekend worden verondersteld dat er meer aandeelhouders van BGI zijn dan de (vennootschappen van de) personen vertegenwoordigd in de directie en de raad van commissarissen. Dit laatste blijkt ook uit het door haar overgelegde Aandeelhoudersreglement. Deze aandeelhouders kunnen anders oordelen dan de directie en/of raad van commissarissen van Brink en/of BGI voor ogen staat. Dat de betalingen van SAP via de bankrekening van Brink Groep liepen omdat SAP niet over een eigen bankrekening beschikte, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor het feit dat Brink er jegens werkneemster (financieel) voor instond dat de certificaten zouden worden behandeld ‘conform de daarvoor geldende regeling’. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat werkneemster bij brief van 26 maart 2010 is toegezegd, althans dat zij aan die brief de verwachting mocht ontlenen, dat de waarde van haar certificaten zou worden vastgesteld op basis van de op 26 maart 2010 geldende formule van artikel 8.6 van het Aandeelhoudersreglement, toegepast op de jaarcijfers 2009. Dat er op 26 maart 2010 al een AVA was vastgesteld om de waarde van de onderneming (en daarmee de aandelen) te bepalen en/of dat de goede resultaten binnen de onderneming van Brink een hype waren – indien juist; dit is betwist – is van onvoldoende gewicht om anders te oordelen. Het hof verwerpt de stelling van werkneemster dat de nieuwe waardebepaling is ingegeven om haar te benadelen. Die stelling is onvoldoende onderbouwd tegen de achtergrond van de onvoldoende betwiste stellingen dat de gewijzigde waardebepaling haar grond vond in de redengeving als in de memo van 8 maart 2010 vermeld, dat de AVA en SAP daarmee rechtsgeldig hebben ingestemd en dat alle aandeelhouders en certificaathouders dienovereenkomstig en op gelijke wijze zijn behandeld. Het hof ziet in de redelijkheid en billijkheid geen grond om anders te oordelen over de vorderingen van werkneemster. Voor zover werkneemster een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid doet is dat onvoldoende onderbouwd.