Naar boven ↑

Rechtspraak

Logidex/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 18 maart 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:708

Logidex/Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten

Bemiddelaar van leerlingen van het middelbaar beroepsonderwijs heeft een uitzendovereenkomst met leerlingen. Geen stageovereenkomst. Leerlingen verrichten ‘nuttige arbeid’ en ontvangen loon.

Logidex treedt op als bemiddelaar van leerlingen van het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) die op zoek zijn naar leerwerkplekken bij bedrijven in de logistieke sector. Logidex krijgt een lijst met ingeschreven leerlingen van de MBO-school die logistieke opleidingen verzorgt en op verzoek van de school zoekt zij leerwerkplekken voor de leerlingen. Logidex voert intakegesprekken met de leerlingen en zoekt een geschikte leerwerkplek. Vervolgens sluit Logidex een overeenkomst met het leerbedrijf. Bij iedere plaatsing van een leerling wordt door Logidex een document ‘Bevestiging Plaatsing’ opgesteld met daarin de specifieke gegevens van het betreffende geval. De leerling ontvangt een vergoeding van Logidex. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het aantal gewerkte uren en is op basis van het minimumloon. De overheid en de bedrijven dragen bij aan de kosten die Logitex moet maken. Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten, opgericht door werknemersorganisaties en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche ABU, ziet toe op de correcte naleving van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Een door het bestuur ingestelde Commissie Naleving CAO voor de Uitzendkrachten (CNCU) kan een werkgever verzoeken bepaalde stukken uit zijn administratie te verstrekken waaruit voor de CNCU blijkt of de cao’s correct worden nageleefd. Logidex weigerde de gevraagde stukken toe te zenden en stelt zich op het standpunt niet als uitzendonderneming aangemerkt te kunnen worden. De Stichting besluit na diverse aanmaningen een boete ter hoogte van € 100.000 op te leggen aan Logidex. Logidex heeft daarop de Stichting gedagvaard en vordert een verklaring voor recht dat zij niet kan worden beschouwd als een uitzendonderneming en niet gebonden kan worden aan de bepalingen van de cao. De kantonrechter wijst deze vordering af.

Het hof oordeelt als volgt. Allereerst wordt vaste rechtspraak aangehaald waaruit blijkt dat voor de vraag of sprake is van een uitzendovereenkomst, niet beslissend is welke juridische kwalificatie partijen zelf aan hun verhouding hebben gegeven of hebben willen geven, maar of de (feitelijk) afgesproken rechten en verplichtingen, mede gelet op de feitelijke uitvoering daarvan, al dan niet voldoen aan de in artikel 7:690 BW vermelde kenmerken van een uitzendovereenkomst. Het hof komt op basis van de feiten en omstandigheden tot de conclusie dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst; tussen Logidex en de leerlingen is volgens het hof een uitzendovereenkomst tot stand gekomen. De overeenkomst tussen Logidex en het leerbedrijf wordt door het hof gekwalificeerd als overeenkomst van opdracht. Relevante omstandigheden zijn naar de mening van het hof dat Logidex als bemiddelaar optreedt en daar ook vergoedingen voor ontvangt van de leerbedrijven. Logidex geeft leiding aan en houdt toezicht op het doen en laten van de leerling bij het leerbedrijf en Logidex staat aan het leerbedrijf toe in het kader van haar bedrijfsuitoefening aanwijzingen en instructies aan de leerlingen te geven. Logidex draagt zorg voor aangifte en afdracht van de loonbelasting en de sociale premies en betaalt tijdens ziekte de vergoeding aan de leerlingen door. Dat de plaatsing van de leerlingen plaatsvindt in het kader van de MBO-opleiding maakt dit niet anders. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Dat de plaatsing van de leerlingen binnen de bedrijven plaatsvindt in het kader van de praktijkopleiding in het MBO, staat er niet aan in de weg dat de leerlingen binnen de leerbedrijven werkzaam zijn, naast de beroepspraktijkvormingsovereenkomst op basis van een arbeidsovereenkomst c.q. een uitzendovereenkomst. De Wet educatie en beroepsonderwijs bevat, anders dan Logidex stelt, in dit opzicht geen belemmering. Dat beroepsbegeleidendeleerwegleerlingen gemiddeld slechts 55% van de betaalde dagen productief zijn en dat zij het leerbedrijf per saldo meer kosten dan opleveren, is, tegenover de aanwijzingen voor het bestaan van een uitzendovereenkomst tussen Logidex en de leerlingen, onvoldoende om in dit geval te kunnen concluderen dat van een uitzendovereenkomst geen sprake is. De hoogte van het door het leerbedrijf aan Logidex betaalde factuurtarief wijst erop dat de leerbedrijven waarmee Logidex werkt, en vervolgens ook Logidex, wel degelijk profijt hebben van de arbeid van de leerling bij het leerbedrijf, ervan uitgaande dat Logidex de leerling het minimumuurloon betaalt. Dat het leerbedrijf bereid zou zijn een substantieel hoger uurtarief dan het minimumuurloon aan Logidex te betalen als de arbeid van de leerlingen voor haar geen toegevoegde waarde zou hebben doch haar integendeel geld zou kosten, is – zonder nadere onderbouwing van Logidex, die ontbreekt – onwaarschijnlijk. De stelling van Logidex dat de leerlingen in de leerbedrijven ‘boven de sterkte’ zijn, is in dat licht onvoldoende concreet. Niet gebleken is dat de activiteiten van de leerling bij het bedrijf zozeer zijn gericht op het uitbreiden van de eigen kennis en ervaring, zulks mede met het oog op de voltooiing van de MBO-opleiding, dat niet kan worden gesproken van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten in de zin van artikel 7:610 BW (vgl. HR 29 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1992:AC0442, NJ 1983/230 (Hesseling/Ombudsman). Veeleer doet zich hier een geval voor waarin de arbeid van de leerling en diens productiviteit voor het leerbedrijf niet van ondergeschikt belang is (vgl. HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722, NJ 2007/447 (beurspromovendi). Dat de onderwijsinstelling bepaalt wat de leerling op welk moment in het bedrijf moet leren, betekent op zichzelf nog niet dat de leerling niet productief is voor het bedrijf.