Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 16 april 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:4130

werknemer/werkgeefster

Toewijzing vordering tot betaling achterstallig loon. Beroep van werkgeefster op verrekening – er zou schade zijn ontstaan doordat werknemer ernstig in gebreke zou zijn gebleven in zijn taakvervulling – faalt. Maximale wettelijke verhoging.

Werknemer vordert in de onderhavige procedure betaling van achterstallig loon. Werkgeefster beroept zich op verrekening. Zij stelt dat de door werknemer in de functie van ‘chief technical officer’ te verrichten werkzaamheden voor hem een (zelfstandige) verantwoordelijkheid met zich brachten waarvan hij zich onvoldoende gekweten heeft en dat hij bijgevolg zelfs ‘ernstig in gebreke gebleven’ is in zijn taakvervulling. Het volgens werkgeefster ‘abominabele functioneren’ van werknemer zou ertoe geleid hebben dat werkgeefster ‘heel veel uren heeft moeten besteden aan het corrigeren van de gemaakte fouten’ en dat ‘klanten uit ontevredenheid weggelopen zijn’, zodat werkgeefster stelt schade geleden te hebben.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Aan werknemer wordt het gevorderde achterstallig loon ter hoogte van € 1.812,81 bruto toegewezen. Van verrekening kan geen sprake zijn. Werkgeefster ziet over het hoofd dat niet iedere wanprestatie van een werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst de werkgever recht verschaft op vergoeding van schade, maar dat artikel 7:661 BW schadeplichtigheid van de werknemer reserveert voor situaties van opzet en bewuste roekeloosheid; het één noch het ander is door werkgeefster zelfs maar gesteld, laat staan met argumenten en bewijs onderbouwd. Er wordt toepassing gegeven aan artikel 6:136 BW: het louter op verrekening gerichte verweer tegen de vaststaande vordering van werknemer wordt zonder meer gepasseerd omdat de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze vast te stellen is. De maximale wettelijke verhoging van 50% wordt toegewezen. Weliswaar heeft werkgeefster daar wel een (subsidiair) verweer tegen gericht, maar zo weinig substantieel en ter zake doend, dat ook dit verworpen wordt. Financieel onvermogen komt op zich al geheel voor haar risico en dat geldt a fortiori voor een niet reëel te achten deponeren van de verantwoordelijkheid voor betalingsuitstel bij een werknemer wiens verplichting tot schadevergoeding vooralsnog slechts op drijfzand berust. Voor matiging van de wettelijke verhoging bestaat derhalve geen grond.