Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 april 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:2288
werknemer/PPG Industrial Coatings BV c.s.
Werknemer is bij Sigma Coatings BV in dienst getreden. De naam van Sigma Coatings is later gewijzigd in PPG Coatings Nederland BV. Op 23 juni 2008 is werknemer een arbeidsovereenkomst met PPG Sàrl aangegaan. Op 12 januari 2011 sluit werknemer met PPG Sàrl een beëindigingsovereenkomst. Werknemer stelt dat de (slapende) arbeidsovereenkomst met PPG Coatings Nederland BV niet is geëindigd en nog steeds bestaat. In de arbeidsovereenkomst met PPG Coatings Nederland BV, is een cao van toepassing verklaard. Op 1 januari 2006 is de VUT-regeling afgeschaft. Over de gevolgen van de afschaffing van de VUT-regeling hebben de vakbonden met PPG afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in bijlage VII bij de cao 2011-2012. Werknemer heeft eerst eind 2011/begin 2012 van die regeling kennis gekregen en nagenoeg meteen daarop jegens PPG aanspraak gemaakt. Werknemer stelt dat hij op grond van de bijlage bij de cao 2011-2012 aanspraak maakt op een VUT-vergoeding van € 80.865,44 bruto.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vanaf eind december 2004 is het dienstverband met PPG Coatings Nederland BV geëindigd en was werknemer alleen in dienst van PPG Industrial Coatings BV. Op basis van die arbeidsovereenkomst is hij gedetacheerd in Polen. Op 1 augustus 2008 is aan dat dienstverband van werknemer met PPG Industrial Coatings BV een einde gekomen. Voorts is werknemer met ingang van 1 augustus 2008 een nieuwe zelfstandige arbeidsovereenkomst aangegaan met PPG Sàrl, waarin zijn arbeidsvoorwaarden belangrijk zijn verbeterd. Aan de arbeidsovereenkomst met PPG Sàrl is met instemming van werknemer op 1 februari 2011 een einde gekomen. Geoordeeld wordt dat in de arbeidsovereenkomsten van PPG met werknemer geen incorporatiebeding is opgenomen. Voorts heeft voor de cao 2011-2012 te gelden dat werknemer voor de periode dat die cao geldt niet in dienst was van een van de vennootschappen waarop de cao van toepassing is verklaard. Zo is werknemer al sedert 1 augustus 2008 niet meer in dienst van PPG Industrial Coatings BV en geldt de cao niet voor werknemers van PPG Sàrl. PPG heeft niet onrechtmatig jegens werknemer gehandeld, althans jegens hem wanprestatie gepleegd, door hem niet te wijzen op bijlage VII Protocol Extra Pensioenstorting van de cao 2011-2012 waardoor hij die regeling niet heeft meegenomen in de beëindigingsovereenkomst met PPG Sàrl. Zij stond in of omstreeks januari 2011 niet in een contractuele verhouding tot werknemer. Voorts heeft werknemer onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat hij op of omstreeks 1 augustus 2008 jegens PPG een ‘verworven recht’ op de VUT of op de voor de VUT gereserveerde gelden had. Tot slot faalt het beroep op de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Volgt afwijzing van de vordering.