Naar boven ↑

Rechtspraak

Bastion Hotel Dordrecht B.V. c.s./De Staat der Nederlanden, Inspectie SZW
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 mei 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:2056

Bastion Hotel Dordrecht B.V. c.s./De Staat der Nederlanden, Inspectie SZW

Inspectie SZW handelt niet onrechtmatig tijdens onderzoek naar naleving arbeidswetten door Bastion. Intimidatie van werknemers niet komen vast te staan.

Bij Bastion B.V. is een deel van het personeel van de Bastion-hotels in dienst (hierna: Bastion c.s.). De Inspectie is een onderdeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij is onder andere belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in verschillende arbeidswetten, zoals de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). De Inspectie heeft diverse meldingen gekregen dat Bastion c.s. niet alle gewerkte uren aan haar werknemers zou uitbetalen. In juni 2013 heeft de Inspectie tegen Bastion c.s. een boeterapport opgemaakt in verband met een overtreding van de WAV. Momenteel is een onderzoek naar naleving van de arbeidswetten gaande. Bastion c.s. heeft herhaaldelijk haar ongenoegen geuit over de handelwijze van de Inspectie bij het afnemen van verklaringen van haar werknemers. Zij heeft de Inspectie gesommeerd de aangehouden wijze van verhoren te staken en bij nog volgende verhoren de nodige zorgvuldigheid te betrachten. Bastion c.s. vorderen in de onderhavige procedure onder meer de Inspectie te verbieden om in het kader van het lopende onderzoek werknemers van Bastion c.s. te dreigen met betrokkenheid van de politie of verhoren op een politiekantoor, hen op intimiderende wijze te bejegenen en de werknemers in hun privésfeer te benaderen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bastion c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Inspectie bij de uitvoering van haar onderzoeksbevoegdheden de belangen van Bastion c.s. onvoldoende in het oog houdt en daardoor onrechtmatig jegens haar handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de civiele rechter – in dit geval van de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. Wel dienen de vorderingen met terughoudendheid te worden beoordeeld, omdat het oordeel ten gronde aan de bestuursrechter is. Voorop gesteld wordt dat het niet onaannemelijk te achten is dat een onaangekondigd bezoek van de Inspectie an sich al enige druk met zich brengt. Dat kan de Inspectie echter niet worden verweten; zij oefent immers een wettelijke controlebevoegdheid uit. Aan Bastion kan wel worden toegegeven dat die druk mogelijk toeneemt doordat de Inspectie het politiebureau noemt als mogelijke locatie voor verhoor, terwijl zij in plaats daarvan wellicht ook andere, minder beladen, gelegenheden zou kunnen overwegen. Het gebruikmaken van een politiebureau voor verhoren als de onderhavige is volgens de Inspectie staande praktijk en kan in zoverre dus niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Daarbij komt dat in casu geen enkel verhoor daadwerkelijk op een politiebureau is afgenomen, zodat de enkele vermelding van het politiebureau als mogelijke verhoorlocatie onvoldoende wordt geacht voor het aannemen van de op dit onderdeel gestelde intimidatie en dreiging door de Inspectie. Verder heeft de Inspectie de gestelde intimidatie en dreiging gemotiveerd betwist en heeft zij enkele (zij het geanonimiseerde) aanvullende verklaringen van werknemers in het geding gebracht, waarin deze met zoveel woorden hebben betwist dat zij zich tijdens hun eerste verhoor door de Inspectie onder druk gezet hebben gevoeld. Ten aanzien van de stelling dat de werknemers ten onrechte in hun privésfeer zijn benaderd, wordt overwogen dat gesteld noch aannemelijk is dat Bastion c.s. mede namens haar werknemers in rechte optreedt. Volgt afwijzing van de vorderingen.

  • Wetsartikelen: 2:336 BW en 2:343 BW
  • Onderwerpen: Arbowetgeving
  • Trefwoorden: Inspectie SZW, naleving arbeidswetten en onrechtmatig handelen