Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 20 mei 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1604
werknemer/Consumenten Advies Nederland
(Vervolg op HR 30 maart 2012, AR 2012-0284.) KSN was een bedrijf dat zich bezighield met de bemiddeling tussen particulieren enerzijds en verzekeraars en banken anderzijds op het gebied van financiële dienstverlening. Om aan het handelsverkeer deel te kunnen/mogen nemen, diende het bedrijf in het bezit te zijn van een vergunning van de AFM. Voor het verkrijgen van een dergelijke vergunning diende KSN te beschikken van een Assurantie B-diploma. Over een dergelijk diploma beschikte KSN niet. KSN is met werknemer, die een vergunning als bedoeld wel had, in contact gekomen. Partijen zijn vervolgens overeengekomen het Assurantie B-diploma van werknemer te gebruiken bij het aanvragen van een vergunning bij de AFM als hiervoor bedoeld. Voor een dergelijke aanvraag op het diploma van werknemer, diende werknemer (vanwege zijn Assurantie B-diploma) ten tijde van die aanvraag, bij KSN in dienst te zijn. Daartoe hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor de de duur van zes maanden gesloten en is met werknemer een vergoeding afgesproken van € 2.400. Nadien is de vergoeding op € 750 vastgesteld. Werknemer heeft zelf te kennen gegeven geen vervolg te willen geven aan deze overeenkomst en een eindafrekening opgesteld (gebaseerd op € 750 per maand). De gewenste vergunning is niet verkregen. Thans stelt werknemer zich op het standpunt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en vordert hij loon. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer gedeeltelijk toegewezen. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Tegen dit oordeel is werknemer met succes in cassatie opgekomen, stellende dat de werkgever niet in incidenteel hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter zodat de devolutieve werking van het hoger beroep met zich brengt dat vaststaat dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van voormeld arrest van de Hoge Raad heeft het hof als uitgangspunt te nemen dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan voor de duur van zes maanden en wel van 20 november 2007 tot 20 november 2008. Ter beoordeling ligt thans (onder meer) de vraag voor of werknemer over de periodes van 20 november 2007 tot 1 januari 2008 en vanaf 1 april 2008 tot 20 mei 2008 aanspraak kan maken op betaling van het op grond van de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat werknemer in genoemde periodes zijn arbeidskrachten niet ten dienste van KSN gesteld heeft. Onbetwist is dat werknemer in bedoelde periodes voor KSN geen werkzaamheden heeft verricht. Een en ander komt echter niet voor rekening van KSN (in de zin van art. 7:628 BW) nu uit niets blijkt dat werknemer (tevergeefs) zijn arbeid aan KSN heeft aangeboden. Het hof wijst eveneens af de gevorderde vakantietoeslag over het bruto equivalent van € 750 netto per maand. Vakantietoeslag is verschuldigd over loonbestanddelen. De vergoeding ad € 750 valt echter niet aan te merken als loon (beloning voor verrichte arbeid), maar is een vergoeding sui generis. Met loon in de zin van artikel 6 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag heeft het niets te maken.