Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Royal Bank of Scotland
Hoge Raad, 27 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1542

werknemer/Royal Bank of Scotland

Wijziging hoogte jaarlijkse bonus is discretionaire bevoegdheid werkgever. Stellen van ultimatum door werknemer (ondanks steun van leidinggevende) aan directie, leidt tot terechte functieontheffing.

(Vervolg op HR 13 januari 2012, AR 2012-0037 en Hof Den Haag 18 juni 2013, AR 2013-0573.) Werknemer is op 5 juni 1997 in dienst getreden van ABN Amro Bank N.V., hierna: de bank, (de rechtsvoorganger van RBS) als trainee. Per 5 juni 2000 is hij bevorderd tot ‘convertible traider’ binnen de afdeling ‘Global Equity Derivates Department’ (GEDD) waar hij was belast met handel in converteerbare obligaties, door partijen aangeduid als het ‘Convertible bonds-boek’ ofwel ‘CB-boek’. Van september 2001 tot september 2002 was werknemer bovendien belast met werkzaamheden in het kader van het ‘Global Swap Book’, ofwel ‘GSB’. Werknemer is in september 2002 met onmiddellijke ingang ontheven van zijn werkzaamheden aan het GSB. Aanleiding daartoe was een door werknemer verzonden e-mail aan zijn direct leidinggevende, waarin hij zich op het standpunt stelde dat GSB en GS samengevoegd moesten worden en als dat niet zou gebeuren dat hij zich niet langer voor het GSB-project kon inzetten. De toon van de mail, alsmede het voor het blok zetten van het management vormden aanleiding tot actie van de bank. Doordat hij is ontheven uit deze functie, heeft hij ook geen bonus ter zake ontvangen. Naast zijn vaste salaris ontving werknemer een prestatiebonus gekoppeld aan de winst voor belastingen. Werknemer heeft de bank gedagvaard en vervangende schadevergoeding gevorderd voor de niet-uitgekeerde bonus in 2002 en voorts aanvullende bedragen over de gewerkte jaren, mede in vergelijking met de collega-werknemer. Volgens werknemer is hem ten onrechte geen, dan wel een te lage bonus uitgekeerd. Het hof heeft de vorderingen van werknemer gedeeltelijk toegewezen (tot een bedrag van EUR 450.000). In cassatie heeft de Hoge Raad (13 januari 2012, AR 2012-0037) het arrest vernietigd, omdat het hof ten onrechte niet of onbegrijpelijk gemotiveerd, is ingegaan op het verweer van de bank dat zij juist heel zorgvuldig en op juiste gronden werknemer uit zijn functie heeft ontheven. Het verwijzigingshof heeft geoordeeld dat de bonus geen ‘arbeidsvoorwaarde’ maar een eenzijdige discretionaire toekenning van de bank is geweest, zodat deze claim faalt. Voorts oordeelde dit hof dat de bank werknemer op juiste gronden uit zijn functie heeft ontheven. Tegen deze oordelen keert werknemer zich in cassatie.

De A-G concludeert als volgt. De vordering van werknemer ten aanzien van de bonus heeft betrekking op de omvang ervan. Volgens werknemer was deze bonus vastgesteld op 30% van de winst voor belastingen. De bank heeft deze evenwel vastgesteld op 24%. Daarin ziet de werknemer een wijziging van de bonusafspraak. De A-G meent evenwel dat de jaarlijks vast te stellen hoogte van de bonus een discretionaire bevoegdheid van de bank is en dat er nog geen afspraken tot stand waren gekomen waarop werknemer zijn stelling kan staven.

Met betrekking tot de ontheffing uit zijn functie, voert werknemer onder meer aan dat zijn e-mail aan de directie van de bank werd gesteund door zijn directleidinggevende. De A-G concludeert dat dit niet afdoet aan het feit dat werknemer uiteindelijk dreigt met het niet langer werkzaam willen zijn (dus hijzelf in persoon) voor het genoemde onderdeel. Ten overvloede merkt de A-G op dat een werknemer voor zijn eigen acties verantwoordelijk is en dat een werkgever zich niet veel hoeft aan te trekken van het al dan niet gesteund worden van handelingen van een werknemer door diens leidinggevende (r.o. 3.23).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.