Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 november 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:11210
werknemer/Fair Play Centers B.V.
Werknemer is sinds 2008 in dienst van Fair Play als Medewerker Amusementscenter. Nadat geconstateerd is dat € 10.000 uit de kluis was verdwenen, is hij op staande voet ontslagen. Werknemer beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet. Werknemer stelt dat niet gebleken is welk feitencomplex exact aan de reden voor het ontslag op staande voet ten grondslag ligt.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Als onweersproken staat vast dat werknemer in de eerste gesprekken heeft volgehouden dat hij op 4 mei 2013 samen met collega X de kluizen had gecontroleerd en dat daarna de aanvulkluis is gesloten en niet meer is geopend. Nadat Fair Play werknemer tijdens het derde gesprek op 5 juli 2013 erop gewezen had dat uit de video-opnamen bleek dat hij na het vertrek van X alleen bij de kluis was geweest en bij de kluis gebukt zat, verklaarde werknemer dat hij zich opeens herinnerde dat hij nog in de aanvulkluis was geweest om een aanvulling te doen van de aanvulkluis naar de werkkluis. Werknemer heeft door zijn tegenstrijdige en niet-consistente verklaringen de verdenking op zich geladen dat hij betrokken zou kunnen zijn bij de vermissing van het geld, en dit is hem ook meegedeeld als reden voor het ontslag. Dat werknemer de gang van zaken was vergeten, zoals hij verklaarde, is niet aannemelijk gelet op het feit dat er slechts een korte tijd was verstreken tussen de vermissing van het geld en het eerste gesprek op 13 mei 2013 en werknemer gezien de situatie moest weten dat het hier om belangrijke informatie ging. Hoewel Fair Play, gelet op de handelwijze en de tegenstrijdige verklaringen van werknemer, goede gronden had om hem op non-actief te stellen, valt niet volledig uit te sluiten dat na gedegen feitenonderzoek in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden, noodzakelijk voor een ontslag op staande voet. Het gaat echter te ver om op de uitkomst van een feitenonderzoek en de beoordeling daarvan door de bodemrechter vooruit te lopen door de onderhavige vorderingen ten aanzien van de wedertewerkstelling en de doorbetaling van loon in kort geding reeds toe te wijzen. Volgt afwijzing van de vorderingen.