Rechtspraak
werkgever/werknemers
(Vervolg op HR 3 december 2010, AR 2010-0959.) Werknemers zijn in dienst geweest van werkgever (werknemer 1 als grondwerker/opperman; werknemer 2 als stratenmaker). Zij vorderen thans van werkgever veroordeling tot diverse loonbetalingen, omdat – aldus werknemers – de werkgever onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Bouwbedrijf valt. Werkgever stelt zich op het standpunt dat de CAO Hoveniersbedrijf van toepassing is. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemers afgewezen. Het Hof Den Haag heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het door werknemers ingebrachte rapport van de Arbeidsinspectie heeft het hof niet in zijn oordeel betrokken, omdat het volgens het hof te laat in het geding werd gebracht en werknemers daarmee de goede procesorde hadden geschonden. In cassatie overwoog de Hoge Raad dat dit oordeel van het hof – nu het rapport van de Arbeidsinspectie slechts zeven pagina’s telde en de kern van de zaak raakte – onvoldoende was gemotiveerd. FNV Bouw heeft het zojuist genoemde rapport op de voet van artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet AVV) verkregen. Dit rapport van de Arbeidsinspectie van 7 juli 2008 betreft een administratief onderzoek naar de naleving van de CAO Bouw door werkgever in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2006 (hierna: het rapport). In het onderhavige cassatieberoep gaat het om de vraag of dit rapport bij de beoordeling van het geschil mag worden betrokken. Betoogd wordt dat, bij het door het hof veronderstellenderwijs aanvaarde uitgangspunt dat artikel 10 Wet AVV een vakbond slechts de mogelijkheid biedt een onderzoek door de Arbeidsinspectie te verzoeken met het oog op een door de vakbond zelf te voeren rechtsgeding, de onrechtmatige verkrijging van het bewijs in de onderhavige zaak gegeven is (omdat de vakbond niet zelf, maar slechts de werknemers een vordering hadden ingesteld). Het hof had vervolgens aan de hand van een belangenafweging moeten beoordelen of het rapport niettemin als bewijsmiddel toelaatbaar was, aldus werkgever.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het in artikel 10 Wet AVV bedoelde verzoek kan derhalve slechts worden gedaan met het oog op het instellen van een rechtsvordering als bedoeld in artikel 3 Wet AVV, waarmee blijkens het vierde lid van dat artikel wordt gedoeld op een door de betrokken vakvereniging in te stellen vordering. Anders dan namens werknemers wordt bepleit, biedt (ook) de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10 Wet AVV geen aanknopingspunt voor de uitleg dat het verzoek mede kan worden gedaan ten behoeve van een door de leden van die vereniging in te stellen vordering. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.6.1-2.6.5 weergegeven parlementaire geschiedenis van artikel 3 en 10 Wet AVV, was de wetgever terughoudend bij het inzetten van publiekrechtelijke middelen ten behoeve van civielrechtelijke handhaving van uit een algemeen verbindend verklaarde cao voortvloeiende verplichtingen. Daarbij is van belang dat aan individuele werknemers civielrechtelijke middelen ter beschikking staan om informatie te vergaren ten behoeve van de handhaving van hun rechten. Het door het hof bij wijze van veronderstelling aanvaarde uitgangspunt is derhalve juist. Het middel faalt evenwel. Daartoe is het volgende redengevend. De omstandigheid dat bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is verkregen door een ander dan de procespartij die het wil gebruiken, brengt nog niet mee dat dit materiaal ook door die procespartij onrechtmatig is verkregen. Het gaat erom of die procespartij zelf het bewijsmateriaal onrechtmatig heeft verkregen. Of hiervan sprake is moet worden beoordeeld aan hand van alle omstandigheden van het geval (vgl. HR 7 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0500, NJ 1993/78). Het oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat, ook indien juist zou zijn dat het rapport door FNV Bouw is verzocht en verkregen met voorbijgaan aan het beperkte doel waartoe de in artikel 10 Wet AVV bedoelde bevoegdheid is gegeven, uit de omstandigheden van dit geval niet blijkt dat het rapport door werknemers onrechtmatig is verkregen. Opmerking verdient nog dat ook indien wordt vastgesteld dat bewijsmateriaal door de partij die zich erop beroept onrechtmatig is verkregen, gelet op het bepaalde in artikel 152 Rv niet als algemene regel geldt dat de rechter daarop geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is uitsluiting van dat bewijs gerechtvaardigd (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942).