Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Pensioenfonds ING
Hoge Raad, 11 juli 2014
ECLI:NL:HR:2014:1631

werknemer/Stichting Pensioenfonds ING

Beroep van pensioenuitvoerder op voorwaarden voor arbeidsongeschiktheidsverzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Werknemer die door toedoen van UWV en werkgever mogelijk ten onrechte niet is aangemerkt als IVA-verzekerde, komt geen beroep op uitkering toe jegens verzekeraar.

Werknemer is op 1 augustus 1967 in dienst getreden van (een rechtsvoorgangster van) ING Personeel. Hij is vanaf 27 december 2004 arbeidsongeschikt. Werknemer ontvangt een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 25 december 2006. ING heeft na verkregen toestemming van CWI de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd per 1 april 2008. UWV heeft bij beslissing van 17 maart 2009 werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard en aan hem per 4 februari 2009 een IVA-uitkering toegekend. Werknemer stelt dat ING op grond van de ING-cao verplicht was om hem in dienst te houden, nu hij een WGA-uitkering ontving. Door hem desalniettemin te ontslaan is de situatie ontstaan dat hij ten tijde van zijn ontslag niet duurzaam arbeidsongeschikt was en daardoor geen aanspraak kan maken op het arbeidsongeschiktheidspensioen van ING. Het beroep van ING op deze voorwaarden is in de ogen van werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het hof zag, met betrachting van de vereiste terughoudendheid, onvoldoende grond om bedoelde reglementaire voorwaarde op grond van artikel 6:248 lid 2 BW buiten toepassing te laten en aldus werknemer een niet op het reglement gebaseerde uitkering toe te kennen. De handelwijze van ING met betrekking tot het ontslag, wat daar ook van zij, regardeert Pensioenfonds ING niet. Daar komt bij dat werknemer niet heeft weersproken dat ING hem met de betaling van een bedrag van € 125.000 volledig heeft gecompenseerd voor het wegvallen van de aanvulling op de WGA-uitkering die hij op grond van de ING-cao (maximaal) had kunnen ontvangen. Ook de handelwijze van UWV regardeert Pensioenfonds ING niet, ook niet als juist zou zijn (1) dat werknemer in februari/maart 2008 materieel al voldeed aan de eisen voor een IVA-uitkering maar (2) de toekenning daarvan door achterstanden bij UWV formeel pas per 4 februari 2009 heeft plaatsgevonden. Overigens heeft Pensioenfonds ING gemotiveerd betwist dat de als (1) aangeduide conclusie uit de verklaringen van arbeidsdeskundige X kan worden getrokken. Het cassatieberoep is door de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO verworpen (conclusie A-G niet gepubliceerd).