Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting tot bevordering der Notariële Wetenschap
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 juli 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:4196

werknemer/Stichting tot bevordering der Notariële Wetenschap

Anders dan het College voor de Rechten van de Mens, oordeelt kantonrechter dat een hartinfarct geen chronische ziekte is. Niet verlengen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarbij verwezen wordt naar de gezondheidstoestand van werknemer, is niet onrechtmatig.

Werknemer is op 1 maart 2009 voor de duur van een jaar in dienst getreden van De Notariële Stichting. Werknemer is op 14 augustus 2009 getroffen door een hartinfarct. De Notariële Stichting heeft werknemer op 29 januari 2010 medegedeeld de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. In een gesprek tussen de echtgenote van werknemer en X (X is hoogleraar notarieel recht, bestuurslid van De Notariële Stichting en collega van de echtgenote van werknemer) heeft X als reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst het gezondheidsrisico van werknemer genoemd. Ook in een telefoongesprek met werknemer is het risico van hernieuwde uitval volgens werknemer als reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst genoemd. Op 28 januari 2013 heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat De Notariële Stichting een verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door de arbeidsovereenkomst met werknemer niet te verlengen. In de onderhavige procedure stelt werknemer dat De Notariële Stichting onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn arbeidscontract niet te verlengen. Zij heeft volgens werknemer in strijd met artikel 4 WGBH/CZ een verboden onderscheid gemaakt op grond van een chronische ziekte of handicap. Werknemer vordert betaling van een bedrag van € 112.264 bruto.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan in de procedure bij het College voor de Rechten van de Mens is geoordeeld, wordt het hartinfarct niet als chronische ziekte aangemerkt. Weliswaar brengt het hartinfarct van werknemer met zich dat betrokkene, aldus zijn eigen verklaring, de rest van zijn leven aangewezen is op medicijnen, maar dat betekent niet dat hij, en anderen die medicijnen slikken, om die reden als chronisch zieke moet worden aangemerkt. De oordelen van de artsen geven geen steun aan de stelling van werknemer dat hij als chronisch zieke dient te worden aangemerkt. Integendeel: de bedrijfsarts oordeelde in januari 2010 dat hij volledig herstel binnen 4 tot 6 weken verwachtte. Het beroep op de WGBH/CZ faalt. Indien in de stellingen van werknemer gelezen dient te worden dat hij een beroep doet op strijd met het goed werkgeverschap kan ook een daarop gebaseerde vordering niet slagen. Werknemer heeft nooit de toezegging gehad dat hij na 1 maart 2010 in dienst kon blijven bij De Notariële Stichting hetzij voor bepaalde hetzij voor onbepaalde tijd. Met werknemer is de kantonrechter van oordeel dat de verwijzing van De Notariële Stichting naar de gezondheid van werknemer en een daarmee gepaard gaand risico onoorbaar was en zij daarmee niet als goed werkgever heeft gehandeld, ook als de werkelijke reden voor ontslag een andere was. Dat maakt echter in de gegeven omstandigheden niet dat De Notariële Stichting onrechtmatig heeft gehandeld in die zin dat zij aansprakelijk is voor door werknemer niet gerealiseerd inkomen na 1 maart 2010. Volgt afwijzing van de vorderingen.