Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 juli 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:6020
A c.s./Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en omgeving
A c.s. zijn twaalf voormalig werknemers van de Stichting voor Islamitisch Onderwijs Ibn Ghaldoun (hierna: IG). In mei 2013 heeft bij IG een grootschalige examendiefstal plaatsgevonden. De staatssecretaris van OCW heeft, mede naar aanleiding van een negatief rapport van de Onderwijsinspectie, besloten dat de rijksbijdrage per 1 november 2013 wordt beëindigd. Op 8 oktober 2013 is het faillissement van IG uitgesproken, waarna de arbeidsovereenkomsten van de werknemers zijn opgezegd. Op 18 oktober 2013 is de Stichting Islamitisch Voortgezet Onderwijs Rotterdam (hierna: SIVOR) opgericht. Het personeel van IG, waaronder A c.s., zijn in de gelegenheid gesteld te solliciteren bij de nieuwe school van SIVOR, genaamd ‘De Opperd’. A c.s. zijn niet aangenomen. Met instemming van het ministerie van OCW is besloten de onderwijslicentie van Melanchton (een van de scholen van Christelijk Voortgezet Onderwijs (CVO)) te gebruiken, zodat De Opperd per 4 november 2013 van start kon gaan. A c.s. stellen dat sprake is van een overgang van onderneming van IG naar CVO, reeds voordat het faillissement van IG een feit was. Zij vorderen wedertewerkstelling en loondoorbetaling door CVO.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van een overgang van onderneming door CVO. Er is geen sprake van een overeenkomst tussen IG en CVO en het is niet aannemelijk dat er tussen deze partijen wilsovereenstemming bestond met betrekking tot de gestelde overgang. Dat dit voorafgaand aan het faillissement van IG mogelijk ‘in de pen zou hebben gezeten’ door verkennende gesprekken die tussen de partijen hebben plaatsgevonden, waarvan een aantal stukken zijn ingebracht, doet hier niet aan af, nu dit past in de door CVO betrokken stellingname dat er eerst gekeken is naar een vorm van samenwerking met IG, maar deze gesprekken evenwel op niets zijn uitgelopen en de effectuering daarvan dus ook achterwege is gebleven. Ook valt niet in te zien hoe op grond van de diverse berichtgevingen in de media aangenomen kan worden dat sprake is van overgang van de onderneming van IG naar CVO, temeer nu deze berichtgeving niet van CVO afkomstig is. Het feit dat De Opperd gebruik maakt van een BRIN van Melanchton, een onder het bestuur van CVO vallende school, maakt dat niet anders gelet op de uitgebreid aangegeven redenen voor dit gebruik en ook omdat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de voor De Opperd beschikbare gelden gescheiden worden gehouden van de gelden die bestemd zijn voor Melanchton. Juist het feit dat een nieuwe stichting is opgericht om het onderwijs op De Opperd te verzorgen en het feit dat de leraren van deze school in dienst zijn getreden van SIVOR maakt het voorshands onvoldoende aannemelijk dat CVO als de overnemende partij moet worden aangemerkt.