Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 juli 2014
ECLI:EU:C:2014:2090
Leone/Garde des Sceaux en de nationale pensioenkas voor ambtenaren
In geschil is een Franse vroegpensioenregeling, in het bijzonder de toekennning van een zogenoemde bonificatie die Frankrijk na het Griesmar-arrest (ECLI:EU:C:2001:648) heeft gewijzigd om het zodoende in overeenstemming te brengen met artikel 141 EG. Het gaat in casu om de volgende regeling. Artikel 15 van decreet nr. 2003-1306 kent elke ambtenaar, voor elk van zijn kinderen die zijn geboren of geadopteerd vóór 1 januari 2004 of voor deze datum ten laste zijn genomen en gedurende negen jaar zijn opgevoed, een anciënniteitsbonificatie van vier kwartalen toe voor de berekening van zijn pensioen, op voorwaarde dat deze ambtenaar kan aantonen dat hij zijn dienst heeft onderbroken gedurende ten minste twee opeenvolgende maanden in het kader van een zwangerschapsverlof, een adoptieverlof, een ouderschapsverlof, een verlof om een ziek of gehandicapt kind te verzorgen, of een afwezigheid om een kind van minder dan acht jaar op te voeden. Voormelde bepaling kent deze bonificatie eveneens toe aan vrouwelijke ambtenaren die een kind ter wereld hebben gebracht tijdens hun studiejaren, vóór 1 januari 2004 en vóór hun aanwerving in de openbare dienst, indien deze aanwerving heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na het behalen van het vereiste diploma voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek. De (mannelijke) ambtenaar in kwestie is deze bonificatie geweigerd, omdat hij zelf geen onderbreking van zijn dienstverband heeft genoten.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. De voorwaarde van een loopbaanonderbreking van minstens twee maanden, waaraan het litigieuze stelsel de toekenning van de bonificatie in beginsel koppelt, is weliswaar schijnbaar neutraal wat het geslacht van de betrokken ambtenaren betreft, maar zij kan in casu door een aanzienlijk lager percentage mannelijke ambtenaren dan vrouwelijke ambtenaren worden vervuld, zodat zij in feite een groter aantal ambtenaren van het ene geslacht dan van het andere geslacht benadeelt. Deze vorm van indirecte discriminatie kan objectief gerechtvaardigd zijn. De Commissie en het echtpaar Leone hebben in dit verband met name aangevoerd dat de Franse Republiek de vroegere regeling heeft vervangen door een nieuwe regeling die, onder het mom van schijnbaar neutrale maatregelen ten aanzien van het geslacht van de personen waarvoor zij gelden, de doelstellingen van de oude regeling in werkelijkheid handhaaft en geen verandering heeft teweeggebracht in de concrete gevolgen daarvan, maar ze bestendigt. Volgens het echtpaar Leone handhaaft de nieuwe regeling immers de doelstelling en oorzaak van de oude regeling, te weten in wezen het compenseren van de nadelen die voortvloeien uit de tijd die de ambtenaar tijdens zijn loopbaan aan de opvoeding van zijn kinderen heeft besteed. De Franse Republiek heeft aldus het kunstmatige criterium van de loopbaanonderbreking gebruikt met als enig doel de financiële consequenties te ontlopen die mogelijkerwijs voortvloeien uit de verplichting om het Unierecht naar behoren toe te passen. Deze lidstaat heeft niet aangetoond dat de doorgevoerde wijzigingen een gewettigde doelstelling nastreven die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht. De Franse regering betoogt dat de loopbaanonderbreking die is bedoeld om de zorg voor de kinderen op zich te nemen, een directe impact heeft op het bedrag van het pensioen van de ambtenaar, hetzij omdat bij de berekening daarvan geen rekening wordt gehouden met de periodes van onderbreking, hetzij omdat deze de loopbaan vertragen. De in het hoofgeding aan de orde zijnde bonificatie is dus bedoeld om deze impact bij de vaststelling van dat pensioen financieel te compenseren. Het Hof wijst erop dat de nationale rechter over het voorgaande oordeel moet vellen, waarbij wel het volgende wordt opgemerkt: de omvang van bepaalde loonbestanddelen wordt bij onderbreking wegens zwangerschap volledig gehonoreerd, terwijl bij ziekte of handicap het om gedeeltelijke honorering gaat. Dit lijkt toch een continuering van het oude stelsel te impliceren. Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 141 EG aldus moet worden uitgelegd dat een pensioenbonificatiestelsel zoals dat in het hoofdgeding een met dit artikel strijdige indirecte discriminatie tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers op het gebied van beloning oplevert, tenzij het kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht, zoals een wettige doelstelling van sociaal beleid, en dit stelsel geschikt is om de aangevoerde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk is, wat vereist dat het daadwerkelijk ertoe strekt deze doelstelling te bereiken en dat het daartoe coherent en stelselmatig wordt toegepast.