Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juli 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:5678

werkgever/werknemer

Bewijslast functie van tewerkgestelde buitenlandse werknemer. Functieaanduiding in tewerkstellingsvergunning CWI (thans UWV) belangrijke aanwijzing.

Werkneemster is van 1 maart 2005 tot en met periode 1 van 2010 in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangster van) werkgever en is door deze voor 40 uur per week tewerkgesteld bij inlener X. Het CWI heeft daartoe tewerkstellingsvergunningen verleend waarbij de arbeid van werkneemster is aangeduid als ‘uitbener’. Aanvankelijk genoot werkneemster een salaris van € 1.585 bruto per maand; later € 1.200 bruto per vier weken en vanaf 10 augustus 2009 € 1.300 bruto per vier weken. Vanaf enig moment zijn op haar salaris bedragen ingehouden voor de zorgverzekeringspremie en voor kosten van huisvesting, welke inhoudingen niet zijn vermeld op de overgelegde salarisspecificaties. De inlener valt onder de algemeen verbindend verklaarde CAO Vleessector. Werkgever onder de algemeen verbindend verklaarde cao uitzendkrachten (ABU-CAO). Werkneemster heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, gesteld dat zij als uitbener betaald diende te worden conform functieniveau C van de CAO voor de Vleessector, aan welke cao werkgever gebonden was gedurende de periodes van algemeenverbindendverklaring omdat zij voor meer dan 50% van de door haar betaalde loonsom uitzendkrachten ter beschikking stelde aan inlener. Buiten de periodes waarin de CAO voor de Vleessector algemeen verbindend was, diende werkgever haar, in ieder geval na ommekomst van de eerste 26 weken van het dienstverband, eveneens conform dat functieniveau te betalen gedurende de periodes van algemeenverbindendheid van de ABU-CAO, gelet op het loonverhoudingsvoorschrift in artikel 19 van die cao.

Het hof oordeelt als volgt. Als uitgangspunt dient werkneemster te bewijzen dat zij als uitbener en niet als hulpkracht (zoals werkgever stelt) is tewerkgesteld. Aan dit bewijs heeft werkneemster voldaan doordat in de tewerkstellingsvergunning is bepaald dat zij als uitbener werkzaam is. Werkgever heeft tot op heden haar stelling dat zij ‘nooit of te nimmer een werknemer zonder enige opleiding of ervaring voor deze specialistische werkzaamheden zou hebben ingezet’ niet onderbouwd. Het ligt op de weg van werkgever om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van werkneemster over haar werkzaamheden als uitbener, waarvoor voldoende is dat werkgever dat vermoeden ontzenuwt. Met betrekking tot de loonvordering overweegt het hof dat meer inzage dient te komen in de salarisbetalingen, meer in het bijzonder in het verschil tussen bruto- en nettobetalingen. Volgt aanhouding van de zaak.