Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Nidera Handelscompagnie B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 mei 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:1719

werknemer/Nidera Handelscompagnie B.V.

Werkgever schiet toerekenbaar tekort door toegezegde Long Term Incentive-plan niet uit te werken. Werknemer heeft recht op schadevergoeding naar billijkheid € 50.000.

Werknemer is op 1 januari 2007 in dienst getreden van Nidera als Manager Portfolio Energy bij de afdeling Green Energy Trading. Partijen zijn een jaarsalaris van € 165.000 inclusief 8% vakantiegeld overeengekomen. Op de arbeidsovereenkomst is een Short Term Incentive-plan van toepassing. In artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst is tevens een Long Term Incentive (LTI)-plan aangekondigd. Deze LTI-regeling is evenwel nooit tot stand gekomen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat sprake is van wanprestatie en dat de schade gelijk is aan de inkomsten die uit de toepassing van de Glencore-regeling zouden zijn ontstaan.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de – betwiste – toezeggingen van A dat de LTI-regeling ‘bijvoorbeeld een inhoud zou kunnen hebben als bij Glencore Grain BV’ en ‘vergelijkbaar zou zijn aan die van Glencore Grain BV’, kan niet worden afgeleid dat de uiteindelijke LTI-regeling gelijk zou zijn aan de Glencore-regeling. Zo deze toezeggingen al zijn gedaan blijkt op de woorden ‘bijvoorbeeld’ en ‘vergelijkbaar’ reeds dat de LTI-regeling daaraan niet gelijk zou zijn. Daar komt bij dat mag worden aangenomen dat de Glencore-regeling specifiek is toegesneden op de onderneming van Glencore Grain en er onvoldoende is onderbouwd waarom die regeling ook een-op-een is toe te passen op de situatie bij Nidera. De participatie op grond van een LTI-regeling zal, nu het een incentiveregeling is, afhankelijk worden gesteld van ondernemingsspecifieke doelen die met de incentive worden nagestreefd. Niet is onderbouwd – bijvoorbeeld – dat de ondernemingen van Glencore en Nidera zodanig qua aard, omvang, waardeontwikkeling en bedrijfsvoering vergelijkbaar zijn dat – in het licht van de toezegging van A – die analoge toepassing gerechtvaardigd is. Voor zover werknemer stelt dat hij in de gesprekken met A een duidelijk beeld had van de inhoud van de Glencore-regeling, en daarom een specifieke en concrete verwachting had ten aanzien van de uiteindelijke inhoud van de LTI-regeling, is dat onvoldoende onderbouwd in het licht van zijn stelling dat hij destijds niet over die regeling beschikte en een en ander niet van A maar van B had vernomen. In dit kader is voorts van belang dat werknemer nadien zonder protest of voorbehoud heeft ingestemd met een toekomstige participatie, waarover in algemene termen is gesteld dat deze is onderworpen aan ‘the terms and conditions which will be in place for the LT’, en er in de correspondentie nadien met A ook met geen woord is gerefereerd aan de Glencore-regeling, terwijl de STI-regeling wel in belangrijke mate concreet was uitgewerkt in de arbeidsovereenkomst. Vanwege het ontbreken van voldoende concrete aanknopingspunten is er onvoldoende basis om de schade te concretiseren. Om die reden ziet het hof ook geen aanleiding om zich door een deskundige te laten voorlichten over de omvang van de schade. Dit betekent dat het hof geen specifieke rekenschap kan afleggen van de schadefactoren. Aangezien – als gezegd – onvoldoende gemotiveerd weersproken is dat het de bedoeling was dat er met de LTI-regeling ‘substantiële bedragen’ konden worden verdiend schat het hof de schadevergoeding ex aequo et bono op € 50.000.