Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 22 augustus 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:7440
werkneemster/Stichting Samenwerkingsbestuur Primair Onderwijs Venray en Regio
Werkneemster is sinds 2008 in dienst van Stichting Samenwerkingsbestuur Primair Onderwijs Venray en Regio (hierna: SPOVenray). Laatstelijk is zij werkzaam als directrice. Werkneemster is met ingang van 4 juli 2014 na een gesprek over haar functioneren geschorst, waarna het bestuur per e-mail het voornemen kenbaar heeft gemaakt om werkneemster aansluitend aan deze schorsingsperiode te schorsen voor de duur van drie maanden op grond van artikel 3.15 lid 3 CAO PO. Werkneemster vordert wedertewerkstelling in haar functie als directrice.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat SPOVenray onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schorsing van werkneemster in het belang van de instelling (dringend noodzakelijk) is en overweegt daartoe als volgt. Het besluit waarbij de (eerste) schorsing is opgelegd is dermate summierlijk gemotiveerd dat daaruit niet valt op te maken welke concrete gedragingen ertoe hebben geleid dat SPOVenray thans de mening is toegedaan dat werkneemster haar functie als directrice moet neerleggen. Er wordt slechts gerefereerd aan (niet schriftelijk vastgelegde) gesprekken waarvan de inhoud niet wordt weergegeven. Aan het rapport van X wordt in het geheel niet gerefereerd zodat de kantonrechter de stelling van SPOVenray, dat de inhoud van het rapport mede de doorslag heeft gegeven bij het besluit tot schorsing, verwerpt. Uit een schorsingsbesluit moet immers voor de werknemer voldoende duidelijk zijn waartegen zij zich dient te verweren zodat niet in het besluit genoemde argumenten dat besluit niet kunnen dragen. Reeds om die reden houdt het schorsingsbesluit geen stand. Ten aanzien van het voorgenomen besluit om werkneemster met ingang van 25 augustus 2014 aansluitend aan de eerste schorsingsperiode te schorsen op grond van artikel 3.15 lid 3 CAO PO wordt overwogen dat de gedragingen die SPOVenray werkneemster verwijt veelal niet schriftelijk zijn vastgelegd noch met haar zijn besproken. Door dit gebrek aan dossiervorming is niet inzichtelijk gemaakt dat het belang van de instelling vordert dat werkneemster haar werkzaamheden op 25 augustus 2014 niet hervat. Bovendien is werkneemster niet in de gelegenheid gesteld haar functioneren te verbeteren aan de hand van concrete aandachtspunten anders dan een enkele kanttekening in de overwegend positieve functioneringsgesprekken. De vorderingen van werkneemster worden toegewezen.