Rechtspraak
werknemer/X Liftservice B.V.
Werknemer is op 1 juni 2011 bij Liftservice in dienst getreden in de functie van lift(onderhouds)monteur. Op 2 april 2014 is hij op staande voet ontslagen. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat uit de Tom Tom-gegevens en liftboeken is gebleken dat werknemer op 1 april 2014 niet aan het werk was op momenten waarop werknemer heeft gezegd te werken. Ook wordt de opstelling van werknemer tijdens het gesprek op 1 april 2014 aan het ontslag ten grondslag gelegd. Werknemer beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag. Hij stelt dat er geen sprake is van een dringende reden en betwist ten stelligste dat hij op 1 april 2014 niet heeft gewerkt. Zo heeft hij tussen 8.30 uur en 12.15 uur onderhoudswerkzaamheden verricht aan de drie liften in de Felbiss te Kerkrade, waarbij hij alle gebruikelijke werkzaamheden heeft uitgevoerd en de bijbehorende logboeken correct en volledig heeft ingevuld.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de stukken is voldoende gebleken dat werknemer in het verleden vaker op zijn functioneren is aangesproken. De spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen, was voor de werkgever het voorval op 1 april 2014, welk voorval door Lifttechniek als (eerste) grond is aangemerkt. Met betrekking tot deze grond wordt overwogen dat de juistheid van deze grondslag niet op eenvoudige wijze vast te stellen is. Liftservice heeft weliswaar een verklaring overgelegd van een collega-monteur en diverse foto’s van werknemer, zittend in zijn bedrijfsbus doch deze verklaring en de betekenis die door Liftservice aan deze foto’s wordt toegekend, worden door werknemer gemotiveerd betwist. Volgens werknemer heeft een meningsverschil (zakelijk van aard) met genoemde collega-monteur, laatstgenoemde ertoe bewogen zo’n (belastende) verklaring tegen hem af te leggen. De eerste grond (‘de druppel’) is onvoldoende komen vast te staan. Voor een uitgebreider onderzoek naar de feiten, zoals het horen van getuigen, is in een kortgedingprocedure geen ruimte. De kantonrechter ziet voorts niet in dat de opstelling van werknemer tijdens het gesprek op 1 april 2014 anders gezien moet worden dan als een gesprek tussen partijen naar aanleiding van een beschuldiging van zijn werkgever aan zijn adres. Van een onheuse bejegening jegens Lifttechniek is niet gebleken. Ook deze grond kan niet als redengevend voor het ontslag op staande voet worden aangemerkt. De loonvordering wordt toegewezen. Nu de arbeidsovereenkomst per 15 augustus 2014 wordt ontbonden, wordt de gevorderde wedertewerkstelling afgewezen.