Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 september 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:3839
werknemer/Stichting Wellant
Werknemer is in 1983 als docent in dienst getreden van de (rechtsvoorganger(s) van) Stichting Wellant. Werknemer was op 20 juni 2014 met leerlingen op excursie. Na afloop van het uitje ontstond rumoer in de bus. Werknemer vroeg de aanstichter van het rumoer viermaal voor in de bus te komen zitten. Uiteindelijk heeft werknemer de jongen naar de voorkant van de bus gebracht. De leerling stribbelde hierbij tegen. Bij aankomst op school heeft werknemer de jongen opnieuw vastgepakt om hem naar een kamer te brengen. Op 23 juni 2014 is werknemer na een gesprek over het incident met zijn leidinggevende op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief wordt onder meer vermeld dat werknemer buitenproportioneel geweld tegen een leerling heeft gebruikt. Voor het handelen van werknemer bestaat volgens Wellant geen enkele rechtvaardiging. Werknemer betwist dat sprake is van een dringende reden. Hij vordert loondoorbetaling en wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van het gebruiken van buitensporig geweld door werknemer. Dat werknemer de leerling bij zijn arm vasthield komt de kantonrechter niet als buitensporig geweld voor. Door werknemer (en andere toeschouwers) is – onbetwist – verklaard dat de leerling in kwestie enorm tegenstribbelde. Bij een stevige grip, bedoeld om een leerling te laten meewerken, gecombineerd met tegenstribbelende bewegingen van die leerling, kunnen drukplekken op het lijf van die leerling ontstaan. Het voorgaande maakt echter niet dat er sprake is van buitengewoon geweld door werknemer. Dit was overigens anders geweest indien de leerling geen weerstand had geboden en er vervolgens blauwe plekken zichtbaar zouden zijn. Er is derhalve geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet.
Wellant stelt dat – indien het ontslag op staande voet geen stand houdt – de arbeidsovereenkomst door het ontslag alsnog geëindigd is, aangezien er geen voorafgaande toestemming nodig is van het UWV om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. Vooropgesteld wordt dat op de arbeidsrelatie tussen partijen het BBA niet van toepassing is. Een niet-rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet lijdt dus niet aan vernietigbaarheid wegens het ontbreken van een ontslagvergunning van het UWV. Evenmin maakt het enkele ontbreken van de dringende reden het ontslag kennelijk onredelijk. Werknemer heeft tegen het ontslag beroep ingesteld bij de commissie van beroep BVE (hierna: de commissie) en stelt zich op het standpunt dat hij verwacht dat de commissie zijn beroep gegrond zal verklaren en Wellant zal opdragen de beëindiging van de dienstbetrekking ongedaan te maken. In dit geval is voldoende aannemelijk geworden dat beide partijen elkaar eind september 2014 bij de commissie zullen treffen en zich beide, conform artikel 18 lid 6 van het reglement van de commissie, zullen onderwerpen aan het oordeel van de commissie en dit oordeel ten uitvoer zullen leggen. Dit geldt temeer nu Wellant in de onderhavige procedure geen eis in reconventie heeft ingesteld, doch slechts verweer heeft gevoerd jegens de vordering van werknemer. Hoewel derhalve een niet-rechtsgeldig geoordeeld ontslag op staande voet niet zal leiden tot een vernietigbare opzegging, moet worden aangenomen dat een niet-rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet, dat ook naar verwachting die kwalificatie van de commissie zal krijgen, door Wellant zal worden ingetrokken. Aannemelijk is dan vervolgens dat de dienstbetrekking niet door opzegging is geëindigd. Wellant dient werknemer binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis weer tot het werk toe te laten en vanaf 24 juni 2014 het loon door te betalen tot de commissie van beroep heeft beslist.