Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 9 september 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:5825
werkneemster/Stichting Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid
De arbeidsovereenkomst van werkneemster is op 7 maart 2014 op verzoek van Stichting Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid (hierna: OBGZ) ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Geoordeeld werd dat het sociaal plan niet van toepassing was. De door OBGZ aangeboden vergoeding van € 12.000 bruto werd billijk geacht en is aan werkneemster toegekend. Thans verzoekt werkneemster herroeping van de beschikking. Zij stelt dat zij na de ontvangst van de ontbindingsbeschikking, op 10 mei 2014, jaarrekeningen van OBGZ heeft ontvangen over 2012 en 2013 naar aanleiding van een ingediend WOB-verzoek. Volgens werkneemster zijn deze stukken van beslissende aard in het kader van de ontbindingsprocedure en zijn deze door OBGZ gedurende de procedure achtergehouden. Werkneemster heeft naar eigen zeggen stukken gevonden waaruit blijkt dat OBGZ in de procedure met betrekking tot de financiële positie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en feiten heeft verzwegen die tot een voor werkneemster gunstiger afloop van de procedure hadden kunnen leiden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor zover de stellingen van werkneemster doel treffen, dienen deze slechts te leiden tot een heropening van het geding voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding. De stellingen van werkneemster zien namelijk niet op de verstoorde arbeidsrelatie. In hetgeen werkneemster heeft aangevoerd, wordt echter geen aanleiding gezien tot heropening. De stelling van werkneemster dat zij onder meer ten tijde van de ontbindingsprocedure psychische klachten had, levert geen grond op in de zin van artikel 382 Rv. Bovendien had (de gemachtigde van) werkneemster dit in de ontbindingsprocedure moeten aanvoeren. In de ontbindingsprocedure heeft OBGZ gesteld dat zij wegens fors teruglopende subsidies in een dermate slechte financiële positie verkeert dat zij zich genoodzaakt ziet de komende tijd het personeelsbestand met 23 fte’s in te krimpen. De kantonrechter heeft deze stelling betrokken bij haar oordeel inzake de ontbindingsvergoeding. Niet is komen vast te staan dat deze stellingname van OBGZ onjuist is. Volgt afwijzing van het verzoek.