Naar boven ↑

Rechtspraak

Deelnemersraad St. Pensioenfonds Dupont Nederland/St. Pensioenfonds Dupont Nederland
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 september 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3888

Deelnemersraad St. Pensioenfonds Dupont Nederland/St. Pensioenfonds Dupont Nederland

Deelnemersraad ontvankelijk ondanks ontbreken statutaire basis na invoering Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Artikel 105 Pensioenwet dwingt niet tot een evenredige verdeling van categorieën pensioengerechtigden (actieven, inactieven, slapers). Besluit pensioenovereenkomst tot exclusief domein van de sociale partners is niet onredelijk.

Het pensioenfonds is een ondernemingspensioenfonds dat sedert 1 januari 1996 de pensioenregeling uitvoert van DuPont de Nemours (Nederland) B.V. (hierna: Dupont) en van aan haar gelieerde ondernemingen. Op 31 december 2013 telde het pensioenfonds 1105 actieve deelnemers, 1784 pensioengerechtigden en 1273 gewezen deelnemers. Bij een brief van 10 februari 2014 heeft het bestuur aan de deelnemersraad advies gevraagd over het voorgenomen besluit de algemene deelnemersvergadering (hierna ook: ADV) per 1 april 2014 af te schaffen. Aanleiding daartoe was de wijziging van het governance model mede naar aanleiding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. In de ADV hebben ‘slechts’ de actieven stemrecht, terwijl in het verantwoordingsorgaan (VO) nieuwe stijl actieven en gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen zijn vertegenwoordigd. De deelnemersraad heeft negatief geadviseerd, omdat tevens de samenstelling van het bestuur (van 8 naar 6) als gevolg had dat er nog maar één zetel voor gepensioneerden overbleef. In combinatie met de afschaffing van de ADV, zou de zeggenschap van deze groep verschralen.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De Ondernemingskamer stelt voorop dat de deelnemersraad ten tijde van de indiening van de onderhavige verzoeken nog bestond en dat hij beoordeeld naar die tijdstippen tot indiening van die verzoeken bevoegd was en daarbij een belang had. Hij is dus in zoverre ontvankelijk in zijn verzoeken. De omstandigheid dat de deelnemersraad inmiddels geen statutaire basis meer heeft, leidt er naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet toe dat hij in zijn verzoeken niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een ander oordeel zou leiden tot een lacune in de medezeggenschap die met de invoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen niet kan zijn bedoeld. Immers, op het moment dat tegen de bestreden besluiten beroep bij de Ondernemingskamer kon worden ingesteld was daartoe geen ander orgaan bevoegd dan de deelnemersraad, terwijl de in artikel VII van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen voorziene uitgestelde inwerkingtreding van de voor de onderhavige zaak relevant te achten bepalingen van die wet (in het bijzonder art. I onderdeel D), niet eraan in de weg staat dat de Ondernemingskamer na die inwerkingtreding op de onderhavige verzoeken een beschikking neemt. Door aldus te voorzien in het in zoverre op dit punt in de wet ontbreken van overgangsrecht is tevens het belang van een behoorlijke medezeggenschap binnen het pensioenfonds gediend.

De Ondernemingskamer beoordeelt het geschil inzake Besluit I (samenstelling bestuur) als volgt. Ter motivering van het besluit heeft het bestuur gewezen op de (hoge) eisen die aan bestuurders van pensioenfondsen worden gesteld en de beperkte beschikbaarheid van gekwalificeerde kandidaten. Dit probleem wordt het hoofd geboden door een verkleining van het aantal bestuurszetels. De deelnemingsraad heeft deze reden op zichzelf niet betwist, maar aangevoerd dat die reden een gevolg is van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Dit laatste doet echter aan de redelijkheid van het bestreden besluit geenszins af. Ook de omstandigheid dat Besluit I, bezien in samenhang met artikel 100 lid 2 en 102 lid 1 en 2 Pensioenwet voor de categorie gepensioneerden in het bestuur van het pensioenfonds een beperking tot één zetel inhoudt, maakt niet dat het bestuur niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen. Dit wordt niet anders door hetgeen is bepaald in artikel 105 lid 2 Pensioenwet, omdat het in deze bepaling opgenomen voorschrift dat de personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen zich bij de vervulling van die taak naar de belangen van de in die bepalingen vermelde categorieën hebben te richten, niet inhoudt dat die categorieën in gelijke mate in het bestuur van het pensioenfonds vertegenwoordigd dienen te zijn. Dat zou ook niet goed kunnen, gelet op de (thans) in artikel 100 lid 2 en 102 lid 1 Pensioenwet ten aanzien van de categorie pensioengerechtigden opgenomen getalsmatige beperkingen. De enkele omstandigheid dat in het bestuur van het pensioenfonds één zetel beschikbaar is voor de categorie pensioengerechtigden betekent voorts niet dat die categorie zich (redelijkerwijs) niet op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd kan voelen, als bedoeld in artikel 105 lid 2 (slot) Pensioenwet. De Ondernemingskamer komt derhalve niet tot de conclusie dat het pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot Besluit I is kunnen komen.

Met betrekking tot Besluit III heeft de deelnemersraad aangevoerd dat dit besluit in combinatie met de Besluiten I (samenstelling bestuur) en II (niet handhaven van ADV) tot een aanzienlijke en onaanvaardbare verslechtering van de medezeggenschap leidt. De bezwaren richten zich (in het bijzonder) op het ontbreken van een adviesrecht met betrekking tot het wijzigen van het (de) pensioenreglement(en). Volgens de deelnemersraad zou een dergelijk adviesrecht ook als bovenwettelijke bevoegdheid aan het vertegenwoordigingsorgaan nieuwe stijl kunnen worden toegekend. De deelnemersraad merkt op dat haar afschaffing op grond van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen op zichzelf niet is vereist. De deelnemersraad acht het niet redelijk dat het pensioenfonds de medezeggenschap niet gelijkwaardig wil houden aan de medezeggenschap zoals die er was vóór 12 juni 2014. De Ondernemingskamer acht Besluit III op het punt van de afschaffing van de deelnemersraad niet onredelijk. Zoals het pensioenfonds heeft beargumenteerd, strookt handhaving van de deelnemersraad niet met een van de uitgangspunten van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen: de stroomlijning van taken en organen. Dat ook na inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen een deelnemersraad kan worden ingesteld, zoals de deelnemersraad heeft aangevoerd, doet daaraan niet af.  Naar de Ondernemingskamer begrijpt is het voor de deelnemingsraad meest klemmende punt, dat niet (bovenwettelijk) aan het verantwoordingsorgaan de bevoegdheid wordt toegekend om advies uit te brengen over het pensioenreglement. De Ondernemingskamer acht echter het standpunt van het pensioenfonds dat het pensioenreglement zozeer verbonden is met de exclusief tot het domein van de sociale partners behorende vaststelling van de pensioenovereenkomst en dat zich daarmee een desbetreffend adviesrecht van het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl niet verdraagt, niet onredelijk of onbegrijpelijk.