Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 3 september 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:7732
werknemer/Brema-Air II B.V.
Werknemer is van 18 maart 1996 tot 5 juli 2013 als tekenaar in dienst geweest van Brema-Air I. Brema-Air I is op 2 juli 2013 in staat van faillissement geraakt. De arbeidsovereenkomst van werknemer is op 4 juli 2013 door de curator opgezegd. Op 5 juli 2013 heeft de curator overeenstemming bereikt met Interduct Holding B.V. over een doorstart. De nieuwe onderneming is uiteindelijk Brema-Air II gaan heten. Werknemer is op basis van een contract voor bepaalde tijd in dienst getreden van Brema-Air II. Na 31 augustus 2013 is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet verlengd. Werknemer stelt onder verwijzing naar het Van Tuinen-arrest dat sprake is van opvolgend werkgeverschap ex artikel 7:668a lid 2 BW en dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is. Hij heeft een loonvordering ingesteld en vordert wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De feitenconstellatie in deze zaak laat een aantal frappante gegevens en gebeurtenissen zien, die de doorstart van Brema-Air I als Brema-Air II door interventie van Interduct Holding B.V. in een situatie van faillissement van de eerste vennootschap op zijn minst atypisch maken. De snelle opeenvolging van een aantal voor die doorstart doorslaggevende daden en voorvallen kan aan de feiten zelf toegevoegd worden. Verspreid over de maand juni 2013 vonden contacten plaats tussen de Interduct-bestuurders met de directeur van Brema-Air I, terwijl betrekkelijk kort daarna (26 juni 2013) Brema-Air I het eigen faillissement aanvroeg, prompt gevolgd door het op 2 juli 2013 uitspreken van dat faillissement en het reeds op 5 juli 2013 bereiken van overeenstemming tussen de curator en Interduct over de overneming van de failliete onderneming en de doorstart. Opvallend is dat in het eerste faillissementsverslag van de curator geschetst wordt dat een overname niet zonder faillissement gerealiseerd kon worden. Het mislukken van tot tweemaal toe aan UWV WERKbedrijf gerichte verzoeken om toestemming tot opzegging van twee groepen werknemers (in totaal 60 van de 150 werknemers) schrikte overnamekandidaten af omdat deze ‘het te hoge aantal over te nemen personeelsleden’ bezwaarlijk vonden. De directeur van Brema-Air I kende bovendien een van de Interduct-bestuurders uit het verleden. Het heeft er op zijn minst de schijn van dat Interduct een voorkeursbehandeling gekregen heeft, waaraan het feit dat de bedrijven concurrenten op eenzelfde markt waren, weinig afdoet.
Daarbij komt dat er geruime tijd een sterke verwevenheid van het oude en nieuwe management van Brema (Brema-Air I en II) heeft bestaan of zelfs nog steeds bestaat, mede gelet op het feit dat naast de directeur het hoofd bedrijfsbureau en de chef tekenkamer mee overgegaan zijn, zodat kennis van competenties en eigenschappen van de groep werknemers die wel of juist niet voor een eerste contract voor bepaalde duur en vervolgens voor verlenging daarvan in aanmerking kwamen, in volle omvang meegewogen kan zijn bij de uiteindelijke selectie en vrijwel zeker (in onbekende omvang en op onzichtbare wijze) meegewogen zal zijn. De directeur van Brema-Air I is betrokken geweest bij de selectie van werknemers voor Brema-Air II. Hij heeft werknemers geselecteerd op betrokkenheid bij lopende projecten en afwezigheid door ziekte. In de tweede selectie heeft hij zelfs beslist of een werknemer in dienst kon blijven. In de persoon van de directeur van Brema-Air I krijgen de banden tussen de vorige en de nieuwe werkgever via de selectie en de daarvoor gehanteerde criteria zodanig gestalte, dat het op diens eigen ervaring verkregen inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van werknemer en alle andere bij de selectie betrokken werknemers in redelijkheid aan de nieuwe werkgever toegerekend moet worden. Geoordeeld wordt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. De wedertewerkstelling en loonvordering worden toegewezen.