Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 25 juni 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:4759
werkneemster/Stichting Beweging 3.0
Werkneemster is vanaf 1 augustus 2002 voor onbepaalde tijd in dienst geweest bij Beweging 3.0 in de functie van huishoudelijk medewerkster. Vanaf medio 2009 was haar functie ‘helpende plus’. Terwijl werkneemster op weg was naar de arboverpleegkundige, gleed zij in de gang uit op een (net) gedweilde vloer en viel zij. Zij had niet gezien dat de vloer nat was. Er stond geen bord om te waarschuwen voor het feit dat de vloer glad kon zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden. Tijdens de val probeerde werkneemster zichzelf op te vangen. Zij brak daarbij haar linker pols en ging door haar rechterenkel. In de onderhavige deelgeschilprocedure verzoekt werkneemster de kantonrechter te bepalen dat Beweging 3.0 en Goudse Schadeverzekeringen aansprakelijk zijn.
De kantonrechter is van oordeel dat Beweging 3.0 door niet te (laten) waarschuwen voor het feit dat een vloer in haar pand glad kan zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden (dweilen), niet heeft voldaan aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht. De gladheid van de vloer als gevolg van de dweilwerkzaamheden in combinatie met het ontbreken van een waarschuwing (in de vorm van een waarschuwingsbordje) hebben het ongeval veroorzaakt. De omstandigheid dat Beweging 3.0 de schoonmaakwerkzaamheden uitbesteedt (en om die reden niet aansprakelijk zou kunnen worden gehouden), kan aan werkneemster niet worden tegengeworpen. Beweging 3.0 is aansprakelijk voor de gevolgen van het werkneemster op 11 mei 2014 overkomen bedrijfsongeval. Beweging 3.0 en Goudse zijn gehouden de dientengevolge door werkneemster geleden en nog te lijden schade te vergoeden. Er wordt een voorschot van € 5.000 ter zake van smartengeld toegewezen. Ook worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 4.428,10 toegewezen. De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de kantonrechter een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee niet in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 20 uren tegen het in het verzoekschrift genoemde tarief van € 206,80, te vermeerderen met 21% btw.