Naar boven ↑

Rechtspraak

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V./ondernemingsraad van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 oktober 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:6777

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V./ondernemingsraad van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

Kantonrechter verleent KLM vervangende toestemming voor invoering zomerroosters. De argumenten van KLM (verhoging efficiency en kostenbesparing) voor het invoeren van het voorgenomen besluit wegen zwaarder dan de argumenten van de OR daartegen.

KLM heeft aan de Groepscommissie 64 (zijnde een commissie in de zin van art. 15 WOR, hierna: GC64) verzocht in te stemmen met een twintigtal (zomer)roosters betreffende het bedrijfsonderdeel Bagage Turnaround Service (hierna: BTS). GC64 heeft zijn instemming onthouden aan twee zomerroosters betreffende de afdeling K1. De zomerroosters betreffen de 220 uitvoerende medewerkers. Op de medewerkers van BTS is van toepassing de CAO voor KLM-Grondpersoneel KLM. Bijlage 3D van de cao bevat de ‘Regeling voor het volgens een basisrooster werken in ploegendienst (Roosterregeling)’. Nu GC64 weigert in te stemmen met invoering van zomerroosters, verzoekt KLM de kantonrechter ex artikel 27 lid 4 WOR vervangende toestemming. KLM stelt hiertoe dat het onthouden van instemming door de OR onredelijk is. Allereerst is dat het geval omdat de ruimte die GC64 heeft om instemming te onthouden beperkt is. Het overgrote deel van de kenmerken waaraan een basisrooster moet voldoen is geregeld in de standaard-cao en, voor zover dat het geval is, heeft de OR geen instemmingsrecht. Dat recht heeft de OR althans de Groepscommissie alleen, voor zover KLM onnodig ruim gebruik maakt van de ruimte in de roosterkenmerken, zoals opgenomen in artikel III, bijlage 3D cao. Voorts zijn de redenen die GC64 heeft aangevoerd deels onbegrijpelijk, onvoldoende gespecificeerd, onjuist en/of oneigenlijk.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel IV onder 6 van Bijlage 3D van de cao is bepaald dat de groepscommissie haar instemming met het uiteindelijk door de bedrijfsleiding voorgestane basisrooster slechts kan onthouden, indien naar haar oordeel de bedrijfsleiding een onnodig ruim gebruik wenst te maken van de in punt III vermelde roosterkenmerken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de OR terecht aangevoerd dat de OR aan deze bepaling in de cao niet is gebonden. Cao-partijen hebben weliswaar het recht om zaken uitputtend te regelen in de cao; als een onderwerp uitputtend geregeld is, bestaat er ter zake dat onderwerp geen instemmingsrecht. Cao-partijen kunnen echter, gegeven het feit dat het hier gaat om een onderwerp dat niet uitputtend in de cao is geregeld, de rechten die de OR op grond van de WOR heeft, niet beperken door te bepalen welke argumenten de OR wel en welke hij niet zou kunnen aanvoeren tegen een voorgenomen besluit in de zin van artikel 27 WOR.

De OR heeft niet betwist welke voor de medewerkers van K1 de directe gevolgen zijn van het inroosteren van Extra Rust in losse uren, zoals KLM dit in de betwiste zomerroosters wil invoeren. Het leidt niet tot meer werkuren maar wel tot een extra opkomst van twee dagen (= 16 uur) op jaarbasis. Die 16 uur worden gecompenseerd door een aantal kortere diensten te draaien. Daarnaast gaat een medewerker van K1 er ongeveer € 1,50 bruto per maand op achteruit, omdat de (weekend)toeslag iets lager wordt. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer € 18 bruto per jaar. Dit levert wel een extra belasting voor de medewerkers op en eveneens leidt dit tot een lagere beloning. Deze gevolgen zijn echter beperkt van aard en wegen niet op tegen de belangen die KLM heeft aangevoerd, waaronder een aanmerkelijke kostenbesparing. De overige argumenten van de OR (roosters leiden tot minder arbeidsplaatsen en leegloop, ze leiden tot meer ongelijkheid binnen de afdelingen voor de bagageafhandeling, er is onduidelijkheid over de inzet van uitzendkrachten en de mate van besparingen en de medewerkers willen de nieuwe roosters niet) zijn onvoldoende zwaar om op te wegen tegen het belang dat KLM heeft genoemd bij de invoer van de roosters, te weten de verhoging van de efficiency ervan, met de daarbij behorende kostenbesparing. Daarom wordt geoordeeld dat de OR met het weigeren van zijn instemming, onder de geschetste omstandigheden, onredelijk heeft gehandeld. Het verzoek van KLM wordt toegewezen.