Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/VLM Nederland B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 oktober 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:8766

werknemer/VLM Nederland B.V.

Verjaring verbeurde dwangsommen. Eerder toegewezen vordering tot wedertewerkstelling ziet niet op situatie dat werknemer arbeidsongeschikt is. Tijdens mediationtraject worden geen dwangsommen verbeurd.

Werknemer is met ingang van 5 juni 2008 bij VLM in dienst getreden in de functie van First Officer. In 2010 heeft VLM werknemer geschorst en is een ontbindingsverzoek ingediend. De door werknemer gevorderde wedertewerkstelling is bij vonnis van 24 oktober 2010, op straffe van een dwangsom, toegewezen. Op 20 oktober 2010 zijn partijen naar aanleiding van het vonnis overeengekomen dat werknemer het huidige trainingsschema zal volgen en is werknemer weer aan het werk gegaan. Werknemer heeft zich op 1 maart 2011 bij VLM ziek gemeld. Werknemer en VLM hebben eind december 2011 het ingezette mediationtraject zonder resultaat afgesloten. VLM heeft werknemer geen andere werkzaamheden aangeboden. De arbeidsovereenkomst is per 1 november 2012 ontbonden. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat VLM niet aan het vonnis van 24 oktober 2010 heeft voldaan en dat dwangsommen verschuldigd zijn vanaf 1 september 2010 (met uitzondering van een aantal perioden).

De rechtbank oordeelt als volgt. De dwangsommen zijn verjaard tot 18 mei 2011. Ingevolge artikel 611g Rv verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is. Een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt ontbreekt. Eerst vanaf 18 mei 2011 is de vraag relevant of dwangsommen zijn verbeurd. Als meest ver strekkende verweer heeft VLM aangevoerd dat zij niet op grond van het vonnis van 24 augustus 2010 gehouden is om gedurende de arbeidsongeschiktheid van werknemer andere passende werkzaamheden aan hem aan te bieden, nu een dergelijke verplichting niet expliciet in het vonnis is vermeld. De rechtbank volgt VLM in dit verweer. Met de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van werknemer is een situatie ontstaan die wezenlijk verschilt van de situatie zoals die zich voordeed ten tijde van het wijzen van het vonnis van 24 augustus 2010. Werknemer heeft gesteld dat hij zich het recht de executie van het vonnis voort te zetten tijdens het mediationtraject heeft voorbehouden. Hij heeft het bestaan van dit voorbehoud in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door VLM echter onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat de rechtbank er niet in rechte van uit kan gaan dat een dergelijk voorbehoud tussen partijen is overeengekomen. Bij ontbreken van overeenstemming over een dergelijk voorbehoud acht de rechtbank het in strijd met de redelijkheid en billijkheid als VLM onverkort gehouden zou zijn uitvoering te geven aan het vonnis van 24 augustus 2010 gedurende het mediationtraject. Immers, mediation is erop gericht dat partijen los van de vraag welke rechten zij precies jegens elkaar geldend kunnen maken, een oplossing zoeken voor het geschil dat hen verdeeld houdt. Daarbij past niet dat een rechterlijke veroordeling op straffe van een dwangsom blijft doorlopen. Onder dergelijke omstandigheden is het voor VLM onvoordelig om een mediationtraject te starten, omdat alleen bij een geslaagde mediation geen dwangsommen zijn verbeurd. Daarmee wordt mediation de facto op voorhand al uitgesloten, hetgeen maatschappelijk onwenselijk zou zijn. Na 31 december 2011, na afronding van het mediationtraject, tot aan de 22 februari 2012 geldt wel een wedertewerkstellingsplicht en zijn voor zover daaraan niet door VLM is voldaan de dwangsommen verbeurd. In totaal is een bedrag van € 19.000 aan dwangsommen verbeurd.