Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 november 2014
ECLI:EU:C:2014:2332
Österreichischer Gewerkschaftsbund/Verband Österreichischer Banken und Bankiers
De Oostenrijkse vakbond Österreichischer Gewerkschaftsbund heeft verzocht dat het Oberste Gerichtshof (Hooggerechtshof) vaststelt dat deeltijdwerkers die binnen de werkingssfeer van de CAOBB (CAO Banken und Bankiers) vallen, recht hebben op de integrale uitbetaling van de in § 22 lid 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde kindertoelage, en niet slechts op een bedrag dat berekend is in verhouding tot hun daadwerkelijke aantal arbeidsuren.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4, punt 2 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat het pro rata temporis-beginsel van toepassing is op de berekening van het bedrag van een in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals de CAOBB opgenomen kindertoelage die wordt uitgekeerd door de werkgever van een deeltijdwerker. Het Hof heeft benadrukt dat, hoewel veel voordelen door de werkgever mede worden toegekend om redenen van sociaal beleid, een uitkering het karakter van beloning heeft wanneer de werknemer die uitkering van de werkgever ontvangt wegens een arbeidsverhouding (arrest Barber, C-262/88, ECLI:EU:C:1990:209, punt 18). Nu de kindertoelage deel uitmaakt van de beloning van de werknemer, wordt zij bepaald door de tussen laatstgenoemde en zijn werkgever overeengekomen arbeidsvoorwaarden (en kan dus niet gelijkgesteld worden aan een uitkering krachtens sociale zekerheid). Indien de werknemer derhalve volgens deze arbeidsvoorwaarden op deeltijdbasis is aangesteld, dient te worden aangenomen dat de berekening van de kindertoelage op basis van het pro rata temporis-beginsel objectief gerechtvaardigd is in de zin van clausule 4, punt 1 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, en passend is in de zin van clausule 4, punt 2 van deze kaderovereenkomst (zie, naar analogie, arrest Heimann en Toltschin, C-229/11 en C-230/11, ECLI:EU:C:2012:693, punt 34, alsook aldaar aangehaalde rechtspraak). Gelet op het voorgaande dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat clausule 4, punt 2 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat het pro rata temporis-beginsel van toepassing is op de berekening van het bedrag van een in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals de CAOBB opgenomen kindertoelage die wordt uitgekeerd door de werkgever van een deeltijdwerker.