Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 november 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:9637

werknemer/werkgeefster

Opzegging arbeidsovereenkomst 60-jarige (brom)fietsmonteur na dienstverband van 42 jaar is, zonder enige voorziening te treffen, kennelijk onredelijk. Schadevergoeding wordt, mede gelet op slechte financiële situatie werkgeefster, begroot op € 10.000.

Werknemer is sinds 1971 in dienst geweest als monteur (fietsen en bromfietsen). Werknemer stelt dat de opzegging per 1 november 2013 kennelijk onredelijk is. Primair beroept hij zich op een valse/voorgewende reden. Subsidiair beroept hij zich op het gevolgencriterium. Niet alleen is hem op een leeftijd van 60 en na 42 arbeidzame jaren bij werkgeefster zonder inspanning tot herplaatsing ‘zijn arbeidsvreugde ontnomen’, maar ook is hij aldus ‘in een financieel nijpende situatie komen te verkeren’ (‘het gezin’ moet nu leven van een parttime inkomen van de echtgenote naast de beperkte WW-uitkering van werknemer). Werknemer vordert een schadevergoeding van € 87.432,23 bruto.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Beide partijen wekten – althans in eerste aanleg – de indruk dat voor het opzeggingsmotief de tijdens de toestemmingsprocedure aan het UWV WERKbedrijf ter beoordeling voorgelegde argumenten en stukken van beslissend belang zijn. Het gaat echter bij de beoordeling van de vraag of de opzegging op de daarvoor gebruikte grond kennelijk onredelijk te achten is, om de opzegging zelf en de daarbij gehanteerde reden.  Werknemer stelt niet langer dat sprake is van een valse of voorgewende reden. Desalniettemin valt aan de stukken te ontlenen dat van een opzegging onder opgave van een valse of voorgewende reden hoe dan ook geen sprake was, omdat het voornemen tot sluiting slechts deel uitmaakte van het complex aan bedrijfseconomische argumenten.

De opzegging wordt kennelijk onredelijk bevonden op grond van het gevolgencriterium. Juist als het zo is dat werknemer de enige werknemer van de vennootschap onder firma was (en daar heeft het alleszins de schijn van), had van werkgeefster verlangd mogen worden dat hij met zijn staat van dienst en op zijn leeftijd veel meer dan kennelijk gedaan is, betrokken was bij beslissingen over het lot van de onderneming. In ieder geval in de zin dat hij gehoord was én in een vroeger stadium althans indringender had mogen horen welke plannen en perspectieven de beide vennoten met de fietsenspeciaalzaak hadden. Werkgeefster heeft er blijk van gegeven zich weinig of niets aangetrokken te hebben van het belang dat werknemer er als betrekkelijk ongeschoolde werknemer met zeer eenzijdige arbeidservaring en een ongunstige leeftijd bij had zich te prepareren op een nabij ontslag en de daarmee gepaard gaande wens de waarschijnlijkheid van werkloosheid zo veel mogelijk te minimaliseren. Werkgeefster heeft ook al niet gesteld dat er in het verdere arbeidsverleden enige scholingsinspanning gedaan is. Dit is werkgeefster in nog ernstiger mate kwalijk te nemen voor de periode november 2011 tot november 2013, toen aan de zijde van buiten werknemer om plannen gemaakt én uitgevoerd werden om het bedrijf zelfs helemaal te sluiten. Weliswaar staat hier ook een eigen verantwoordelijkheid van werknemer tegenover om zich niet geheel van werkgeefster afhankelijk te maken en blijkt nergens uit dat hij die serieus genomen heeft, maar in het kader van de afweging van belangen en posities, tikt een en ander toch zwaarder aan bij de werkgeefster. Het belang dat de wetgever blijkens de aanstaande regeling van de transitievergoeding voor bijna alle gevallen van een gedwongen einde van een arbeidsverhouding toekent aan het treffen van een (financiële) voorziening ter zake en de wijze waarop in de WWZ rekening gehouden wordt met wél geleverde scholingsinspanningen, onderstrepen het gewicht van gezamenlijke inspanningen van werkgeefster en werknemer om toekomstige werkloosheid te voorkomen of tot een minimum te beperken. Gelet op de slechte financiële situatie van werkgeefster, wordt een schadevergoeding van € 10.000 bruto toegekend.