Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 31 oktober 2014
ECLI:NL:RBZWB:2014:7633

werknemer/werkgeefster

Werkgeefster is ten tijde van sluiten van CAO Wonen 2010 geen lid van branchevereniging die partij was bij cao. Dat bij consumenten de indruk is gewekt dat werkgeefster wel lid is van branchevereniging, leidt er niet toe dat werkgeefster op grond van artikel 9 Wet CAO is gebonden aan de cao. Geen nawerking.

Werknemer is sinds december 2010 als storemanager in dienst van werkgeefster, een detailhandelsonderneming die zich richt op de verkoop van vloeren aan consumenten. Werknemer heeft zich op 28 januari 2014 ziek gemeld. Na twee maanden ziekte heeft werkgeefster 70% van het loon doorbetaald. Centrale vraag in de onderhavige procedure is of werknemer gedurende de eerste 52 weken van ziekte, conform de CAO Wonen 2010, recht heeft op volledige loondoorbetaling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer stoelt zijn vordering op zijn betoog dat ondanks het feit dat werkgeefster geen lid was van CBW-Mitex op het moment dat door die branchevereniging met FNV Bondgenoten en CNV Dienstenbond de CAO Wonen 2010 werd afgesloten en gedurende de looptijd daarvan werkgeefster ook geen lid is geworden, zij daaraan toch gebonden is nu zij het gerechtvaardigd vertrouwen bij werknemer had gewekt dat zij wél lid was van CBW-Mitex. Als relevante feiten en omstandigheden noemt werknemer daarbij het gebruik van het CBW-logo richting klanten/consumenten, het beroep daarbij op de CBW-algemene voorwaarden, het feit dat werkgeefster de eerste twee maanden van zijn ziekte 100% van het loon heeft uitgekeerd, de moedermaatschappij wel lid was van CBW-Mitex en de CAO Wonen 2010 algemeen verbindend was verklaard.

Voorop moet staan het uitgangspunt dat een cao slechts de (bestaande en toekomstige) leden bindt van de verenigingen die partij zijn bij de cao en die daarbij betrokken zijn. Voor een verruiming van de kring van gebonden werkgeefsters op grond van de Wet CAO is naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel geen plaats. De wettekst zelf, alsmede de wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie geven daartoe onvoldoende aanleiding. Het voert evenwel te ver om het ten opzichte van de klanten/consumenten – ten onrechte – geschetste beeld dat werkgeefster lid was van CBW-Mitex, consequenties te laten hebben voor de arbeidsrechtelijke verhoudingen binnen werkgeefster in de door werknemer voorgestelde zin. Immers, in arbeidsrechtelijke zin heeft werkgeefster geen onjuist beeld geschetst, althans daarvan is in deze procedure niet gebleken. Voorts kan, wanneer een werkgeefster uit consideratie gedurende twee maanden meer betaalt dan zij op grond van de arbeidsovereenkomst en de wet verplicht is te betalen, dat er niet toe leiden dat reeds daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de werkgeefster zich gebonden acht aan het geheel van rechten en plichten voortvloeiend uit de cao. Voorts komt aan het feit dat de CAO Wonen 2010 vervolgens algemeen verbindend is verklaard, hier niet de betekenis toe dat daaruit gebondenheid op grond van artikel 9 Wet CAO voortvloeit – daarvoor is nu juist de algemeenverbindendverklaring nodig – en dat wordt niet anders in het licht van het opgeworpen beeld jegens klanten/consumenten zoals hiervoor geschetst. Evenmin is door het feit dat de moedermaatschappij lid was van CBW-Mitex het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat werkgeefster wel (of ook) lid was. Dit lidmaatschap was bij werknemer namelijk niet bekend. Nu werkgeefster bij het aangaan van de CAO Wonen 2010, of gedurende de tijd dat deze van kracht was, geen lid was van een van de bij die cao betrokken partijen, kan van nawerking evenmin sprake zijn. Volgt afwijzing van de vorderingen.