Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 9 april 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:9794
Stichting Gehandicaptenzorg/werknemer
Werknemer is sinds 1983 in dienst van Stichting Gehandicaptenzorg (hierna: SGL). Vanaf 1 november 2010 was hij statutair bestuurder van SGL Diensten en SGL RAP (revalidatiepraktijk). Met ingang van 1 januari 2012 is werknemer bestuurder geworden van RAP. Hij is op 1 juli 2012 geschorst. De arbeidsovereenkomst tussen RAP en werknemer is ontbonden per 1 januari 2013. Betreffende het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door SGL met werknemer is SGL door de kantonrechter niet-ontvankelijk geacht. In opdracht van de raad van toezicht heeft KPMG onderzoek gedaan. Naar aanleiding van dit onderzoek vordert SGL voor recht te verklaren dat werknemer ten opzicht van SGL zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, dat hij ernstig tekort is geschoten, dat er sprake is van onrechtmatige daad en er sprake is van door SGL aan werknemer onverschuldigd gedane betalingen, reden waarom werknemer aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. SGL vordert terugbetaling van diverse posten.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft primair – kort gezegd – ten verwere in algemene zin een beroep gedaan op artikel 7:663 BW, welk artikel bepaalt dat alle rechten en verplichtingen die voor de vervreemder ten tijde van de overdracht uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien, op de verkrijger overgaan. Dit betekent volgens werknemer dat de litigieuze vorderingen niet aan SGL toekomen maar aan RAP. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overgang van onderneming. Nu de richtlijn de rechten en plichten heeft bedoeld te beschermen die daadwerkelijk in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen, en een mogelijke verplichting uit hoofde van onrechtmatig handelen niet betreft een verplichting opgenomen in de arbeidsovereenkomst, kan niet worden geoordeeld dat een dergelijke verplichting mee is overgegaan op RAP. SGL kan derhalve wel worden ontvangen in haar vorderingen. Daaraan doet overigens niet af dat de reikwijdte van de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:162 BW in beginsel wel kan worden beperkt door de artikelen 2:9 BW en 7:661 BW nu onbestreden is dat de schade die SGL stelt te hebben geleden door handelen van werknemer binnen de uitoefening van zijn werkzaamheden is toegebracht aan SGL (zie ook JAR 2007/90). Beoordeeld zal moeten worden (a) of sprake is van een door werknemer gepleegde onrechtmatige daad en (b) wat ter bepaling van de aansprakelijkheid ingevolge artikel 2:9 BW en 7:661 BW de maatstaf dient te zijn. Het beroep van werknemer op verjaring faalt.
De verschillende gevorderde schadeposten worden achtereenvolgens door de kantonrechter beoordeeld. Ten aanzien van de garantieregeling en de maandelijkse declaratiekosten worden bedragen van € 19.000 en € 67.000 toegewezen. De vordering met betrekking tot eindejaarsuitkeringen is onvoldoende onderbouwd. De vordering tot betaling van de kosten van horloges wordt toegewezen. Niet kan worden vastgesteld, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door SGL, dat de betreffende jubilarissen daadwerkelijk een horloge hebben ontvangen, terwijl het op de weg van werknemer had gelegen zijn stelling dienaangaande nader te onderbouwen. Of werknemer, gelet op het bepaalde in de artikelen 2:9 BW en 7:661 BW ook daadwerkelijk voor de door SGL geleden schade aansprakelijk kan worden gehouden moet thans worden beoordeeld. Van opzet of bewuste roekeloosheid is ook sprake wanneer de werknemer een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Weliswaar is dit de term die werd gebruikt onder het voor 1992 geldende recht, maar het feit dat sinds 1 januari 1997 de term opzet of bewuste roekeloosheid wordt gebruikt in artikel 7:661 BW heeft geen inhoudelijke verandering gebracht in de beoordeling van het ernstige verwijt dat kan worden gemaakt (HR 9 januari 1998, NJ, 1998/440). Nu werknemer heeft nagelaten om in de administratie helder te maken waarop de uitgaven betrekking hebben gehad, maar integendeel, althans zulks is niet gemotiveerd weersproken, in de administratie een omschrijving te geven die niet strookt met de waarheid, is de kantonrechter van oordeel dat werknemer een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ten aanzien van de toekenning van een ontslagvergoeding aan mevrouw X wordt geoordeeld dat de vergoeding buitensporig hoog is en werknemer het belang van SGL in deze kwestie ernstig heeft veronachtzaamd en dat hem dat als bestuurder kan worden verweten. De zaak wordt aangehouden, zodat partijen duidelijkheid kunnen verschaffen over kunstaankopen.