Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 november 2014
ECLI:EU:C:2014:2371
Vital Pérez/Ayuntamiento de Oviedo
In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of Ayuntamiento (een gemeente in Spanje) in strijd handelt met de Richtlijn 2000/78/EG door als algemene toelatingseis voor een betrekking bij de lokale politie te stellen dat sollicitanten niet jonger zijn dan 18 jaar en niet ouder zijn dan 30 jaar. Volgens Vital Pérez moeten de sollicitanten ‘fysiek en psychisch in staat zijn om de taken van de functie uit te voeren en te slagen voor de fysieke tests’ die in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aankondiging van het vergelijkend onderzoek nader zijn omschreven. De algemene leeftijdsvereiste is ongeldig aldus Vital Pérez.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Wat in de eerste plaats artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2000/78 betreft, moet erop worden gewezen dat volgens deze bepaling ‘een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is’. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2000/78 blijkt dat niet de grond voor het verschil in behandeling, maar een met deze grond verband houdend kenmerk een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste moet vormen (zie arresten Wolf, ECLI:EU:C:2010:3, punt 35, en Prigge e.a., ECLI:EU:C:2011:573, punt 66). Volgens vaste rechtspraak is het beschikken over bijzondere fysieke capaciteiten een leeftijdsgebonden kenmerk (arresten Wolf, ECLI:EU:C:2010:3, punt 41, en Prigge e.a., ECLI:EU:C:2011:573, punt 67). In het onderhavige geval volgt uit artikel 18 lid 6 van Ley 2/2007 dat de taken van de lokale politie met name bestaan uit bijstandsverlening aan burgers, bescherming van personen en zaken, arrestatie en bewaking van daders van strafbare feiten, preventieve patrouilles en regeling van het verkeer. Laatstgenoemde taken vergen naar hun aard een uitstekende fysieke geschiktheid aangezien fysieke tekortkomingen tijdens de uitoefening van deze taken belangrijke gevolgen kunnen hebben, niet alleen voor de politieagenten zelf en voor derden, maar ook voor de handhaving van de openbare orde (zie in die zin arrest Prigge e.a., ECLI:EU:C:2011:573, punt 67). De wens om de effectiviteit en het goed functioneren van de politie te verzekeren, is dus een legitieme doelstelling in de zin van artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2000/78 (zie in die zin arrest Wolf, ECLI:EU:C:2010:3, punt 39). Nagegaan moet echter worden of er, met de vaststelling van die leeftijdsgrens, in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een evenredige eis is geformuleerd, namelijk of de leeftijdsgrens geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan nodig is om dit doel te bereiken.
Het Hof merkt op dat het in zijn arrest Wolf evenwel pas tot zijn oordeel is gekomen na op basis van de overgelegde wetenschappelijke gegevens te hebben vastgesteld dat bepaalde aan de leden van het middenkader van de brandweertechnische dienst toevertrouwde taken, zoals brandbestrijding, fysieke capaciteiten ‘van een bijzonder hoog niveau’ vergden en dat slechts zeer weinig ambtenaren die ouder zijn dan 45 jaar voldoende fysieke capaciteiten hebben om dergelijke activiteiten uit te voeren. Het Hof heeft verklaard dat bij aanwerving op latere leeftijd te veel ambtenaren niet voor de fysiek zwaarste taken zouden kunnen worden ingezet. De aangeworven ambtenaren zouden dan evenmin lang genoeg voor die taken kunnen worden ingezet. Ten slotte vereist een degelijke organisatie van het middenkader van de brandweertechnische dienst dat er een correlatie bestaat tussen de fysiek veeleisende posten, waarvoor de oudere ambtenaren niet geschikt zijn, en de fysiek minder veeleisende posten, waarvoor die ambtenaren wel geschikt zijn (arrest Wolf, ECLI:EU:C:2010:3, punten 41 en 43). Dergelijk onderzoek ontbreekt in casu. Voorts kan nergens uit de aan het Hof overgelegde stukken of bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen worden afgeleid dat voor de effectiviteit en het goed functioneren van de lokale politie vereist is dat binnen de lokale politie wordt vastgehouden aan een bepaalde leeftijdsopbouw en uitsluitend ambtenaren jonger dan 30 jaar worden aangeworven. Artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die een maximumleeftijd van 30 jaar instelt voor het aanwerven van lokale politieagenten.
Wat het beroep op artikel 6 richtlijn betreft, oordeelt het Hof als volgt. Allereerst moet worden opgemerkt dat de Spaanse regering weliswaar heeft aangevoerd dat met de betrokken maatregel wordt gestreefd naar een evenwichtige leeftijdsopbouw, maar dat niet uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat met de maatregel ook wordt beoogd om nieuwe aanwervingen te stimuleren. De maatregel kan dan ook niet worden aangemerkt als een maatregel ter bevordering van doelstellingen inzake werkgelegenheid in de zin van artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78. Wat het doel betreft dat ziet op de noodzaak dat een redelijk aantal arbeidsjaren aan pensionering voorafgaat, moet er om te beginnen op worden gewezen dat blijkens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens de pensioengerechtigde leeftijd voor lokale politieagenten 65 jaar is. De verwijzende rechter vermeldt weliswaar ook de overgang naar een andere activiteit op de leeftijd van 58 jaar, maar het gaat daarbij om een mogelijkheid die lokale politieagenten desgewenst hebben en die bovendien geen invloed heeft op de pensioenleeftijd. Hieruit volgt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die een maximumleeftijd van 30 jaar instelt voor het aanwerven van lokale politieagenten, niet noodzakelijk kan worden geacht om te verzekeren dat de politieagenten voorafgaand aan hun pensionering een redelijk aantal arbeidsjaren hebben opgebouwd in de zin van artikel 6 lid 1 onder c van Richtlijn 2000/78. Dat de ‘normale’ pensioenleeftijd in het algemene socialezekerheidsstelsel 67 jaar is, is in dit verband irrelevant.