Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 5 november 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:5592
werknemer/raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
Werknemer is op 1 juli 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor één jaar in dienst getreden bij werkgever in de functie van vestigingsmanager. Tijdens een overleg op het werk zijn de emoties opgelopen en is werknemer weggelopen. Hij maakte daarbij kenbaar dat hij zich ziek meldde. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat geen sprake is van ziekte, maar van een arbeidsconflict. Op 6 december 2010 heeft werknemer het UWV een deskundigenoordeel over zijn arbeidsongeschiktheid gevraagd. In het deskundigenoordeel wordt geoordeeld: ‘Op 24 november 2010 is sprake van een verstoorde werkverhouding. Dat er hierdoor spanningsklachten ontstaan is begrijpelijk. Het behoeft dan ook geen verdere uitleg dat in deze aanvang gestart moet worden met het zo spoedig mogelijk herstellen van de verstoorde werkverhouding. Een uitspraak doen over het wel of niet geschikt zijn voor de eigen arbeid is in dit stadium dan ook niet relevant.’ Werknemer stelt het UWV op grond van artikel 6:74 BW en 6:162 BW aansprakelijk, nu het UWV heeft nagelaten een oordeel te geven over de arbeids(on)geschiktheid van werknemer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van het UWV is geen sprake. Het verstrekken van een deskundigenoordeel door het UWV berust op een wettelijke bevoegdheid op grond waarvan het UWV als overheidsinstelling handelt. Het betreft hier geen civielrechtelijk maar publiekrechtelijk handelen. Van een overeenkomst met werknemer is dan ook geen sprake. Dat het UWV voor het verstrekken van een deskundigenoordeel kosten in rekening brengt maakt dat niet anders.
Dat het UWV heeft nagelaten om een beslissing over de arbeidsongeschiktheid te nemen leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat dit nalaten als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist die meebrengen dat het UWV door de gestelde vraag onbeantwoord te laten in strijd met de in het maatschappelijk verkeer jegens werknemer in acht te nemen zorgvuldigheid heeft geschonden. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is tevens vereist dat er causaal verband bestaat tussen de bestreden gedraging en de geleden schade. Werknemer lijkt zich erop te beroepen dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. Werknemer heeft echter niet voldaan aan de vereisten uit het arrest Mak/SGBO (HR 27 juni 2008, JAR 2008/188). Hij heeft nagelaten om zodanige feiten en omstandigheden te stellen dat op basis daarvan situatieve arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. Daar komt bij dat de werknemer in geval van situatieve arbeidsongeschiktheid in beginsel is gehouden alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. Dat laatste heeft werknemer nagelaten. Dit leidt ertoe dat de schade die werknemer stelt te hebben geleden is ontstaan doordat hij niet heeft meegewerkt aan de oplossing van het arbeidsconflict en niet door het niet nemen van een beslissing door het UWV. Van een causaal verband tussen de bestreden gedraging en de gestelde schade is dan ook geen sprake. Daar komt nog bij dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat een beslissing van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid voor werknemer positief zou zijn uitgevallen in die zin dat het UWV zou hebben geoordeeld dat hij vanaf 24 november 2010 arbeidsongeschikt was. Volgt afwijzing van de vorderingen.