Rechtspraak
werkneemster/werkgever
Werkneemster is op 25 april 2000 bij (de rechtsvoorganger van) werkgever in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van assistent filiaalmanager. Naar aanleiding van een signaal van uitzonderlijke kassatransacties (meer dan gemiddeld aantal retouren en retouren voor hoge bedragen) van cassière nummer Z (werkneemster), is de afdeling Derving en Veiligheid van werkgever een onderzoek gestart. Teneinde met zekerheid vast te stellen dat sprake was van onterechte retouren heeft werkgever recherchebureau Headline gevraagd in het filiaal onderzoek te doen met behulp van verborgen camera’s. Op 9 december 2013 heeft werkgever werkneemster met zijn bevindingen geconfronteerd. Er zijn toen verschillende verklaringen opgesteld (een door de werkgever en een eigen handgeschreven verklaring van de werkneemster) waaruit blijkt dat werkneemster erkent dat ze geld heeft meegenomen, alsmede een schuldbekentenis dat ze de schade aan de werkgever zal vergoeden. Op 10 december 2013 is werkneemster op staande voet ontslagen. De officier van justitie heeft de strafzaak wegens gebrek aan bewijs geseponeerd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de stellingen van werkneemster dat zij de verklaringen onder druk zou hebben gegeven, verworpen en het ontslag op staande voet gegrond geoordeeld.
Het hof oordeelt als volgt. Naar het voorlopig oordeel van het hof kunnen de verweten gedragingen, indien deze in een bodemprocedure komen vast te staan, in het licht van de thans bekende feiten en omstandigheden in beginsel een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Werkgever heeft vooralsnog met de door werkneemster ondertekende verklaring en vooral ook haar eigen handgeschreven verklaring voldoende aannemelijk gemaakt dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie onvoldoende bewijs zag voor strafrechtelijke vervolging nu deze beslissing in civiele zaken geen dwingend bewijs oplevert. Werkneemster is er niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zij inhoudelijk onjuiste verklaringen heeft ondertekend doordat werkgever oneigenlijke druk op haar heeft uitgeoefend. Het hof acht niet uitgesloten dat op basis van langere videofragmenten dan ter zitting zijn getoond in combinatie met de uitleg van werkneemster over haar activiteiten, minst genomen twijfel kan ontstaan aan de lezing die werkgever van de getoonde beelden geeft. Het is echter aan de bodemrechter om dat af te wegen tegen de ondertekende verklaringen en de omstandigheden waaronder die zijn afgelegd. Vooralsnog komt het hof niet tot de inschatting dat het zozeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter het ontslag op staande voet ongeldig zal achten, dat vooruitlopend daarop de loonvordering moet worden toegewezen.