Naar boven ↑

Rechtspraak

Tuincentrum Moesbosch/Stichting Uittreding Werknemers Agrarische Sectoren
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 18 november 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:3606

Tuincentrum Moesbosch/Stichting Uittreding Werknemers Agrarische Sectoren

Uitleg vrijwillige aansluiting bij CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren. Geldt voordelige VUT-regeling alleen voor een deel of voor het gehele personeel?

Moesbosch (althans haar rechtsvoorganger) exploiteerde een glastuinbouwbedrijf. In de jaren negentig heeft zij haar bedrijfsactiviteiten gewijzigd en is zij een tuincentrum gaan exploiteren. Aanvankelijk was Moesbosch verplicht aangesloten bij de CAO Tuinbouw en de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren. Na de wijziging van haar bedrijfsactiviteiten gold voor haar de CAO Tuincentra. De CAO Tuinbouw verplichtte Moesbosch deel te nemen aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (hierna: BPL). De CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren verplichtte Moesbosch tot deelname aan het SUWAS-fonds, waardoor werknemers van Moesbosch de mogelijkheid hadden vervroegd uit te treden. De CAO Tuincentra verplichtte Moesbosch tot deelname aan de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (hierna: Detam). Op 17 december 1998 heeft Detam vrijstelling verleend van de verplichting tot premiebetaling aan het bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, met dien verstande dat deze vrijstelling uitsluitend gold voor 36 in de beschikking met name genoemde werknemers en niet voor de overige huidige of toekomstige werknemers die onder de verplichtstelling van het fonds vallen. SUWAS heeft met ingang van 1 januari 1998 tot en met 2011 voor alle werknemers van Moesbosch VUT-premie in rekening gebracht. In deze procedure heeft Moesbosch een verklaring voor recht gevorderd die inhoudt dat wordt vastgesteld dat Moesbosch geen VUT-premies was verschuldigd voor werknemers die na 1 januari 1998 bij haar in dienst zijn getreden. Moesbosch betoogt in hoger beroep dat een redelijke uitleg van de tweede aansluitingsovereenkomst meebrengt dat partijen zijn overeengekomen dat Moesbosch slechts voor wat betreft het personeel dat vóór 1 januari 1998 (althans 1 januari 1993) in dienst was getreden, vrijwillig zou gaan deelnemen aan de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren.

Het hof oordeelt als volgt. In de tweede aansluitingsovereenkomst is bepaald dat de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren bij het bedrijf van Moesbosch van overeenkomstige toepassing is. De overeenkomst vermeldt niet dat deze cao slechts zou gaan gelden voor de werknemers die vóór 1 januari 1998 (althans 1 januari 1993) bij Moesbosch in dienst zijn getreden. In de tweede aansluitingsovereenkomst is bepaald dat de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren bij het bedrijf van Moesbosch van overeenkomstige toepassing is. De overeenkomst vermeldt niet dat deze cao slechts zou gaan gelden voor de werknemers die vóór 1 januari 1998 (althans 1 januari 1993) bij Moesbosch in dienst zijn getreden. Echter, aan Moesbosch kan worden toegegeven dat in de tweede aansluitingsovereenkomst niet expliciet is opgenomen dat de cao voor het gehele personeel zou gaan gelden. In verband met de uitleg van de tweede aansluitingsovereenkomst is het volgende van belang. Op 21 januari 1998 heeft mr. Mathijssen namens Moesbosch bij Detam geïnformeerd naar de mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw en bij de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren. Bij brief van 1 april 1998 wordt hierop geantwoord. De brief vermeldt dat het verzoek tot vrijwillige aansluiting is voorgelegd aan de besturen van BPL en SUWAS. Voorts vermeldt de brief dat (1) de SUWAS-aansluiting voor het huidige en toekomstige personeel zal gelden en (2) de BPL-aansluiting voor zover dispensatie is verkregen. De brief vermeldt derhalve uitdrukkelijk dat de vrijwillige aansluiting bij het pensioenfonds voor een beperktere groep werknemers zal gaan gelden dan de vrijwillige bij het SUWAS-fonds. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat de tweede aansluitingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat deze betrekking heeft op het volledige (huidige en toekomstige) personeelsbestand van Moesbosch. Het hof acht voorts nog relevant dat – anders dan de tweede aansluitingsovereenkomst – de eerste aansluitingsovereenkomst expliciet vermeldt dat het gaat om de vrijwillige deelneming aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw van het in dienst zijnde personeel voor zover vrijstelling is verkregen van de verplichte pensioenregeling van Detam. Ook dit vormt een aanwijzing dat de uitleg die SUWAS aan de tweede aansluitingsovereenkomst geeft, de juiste is.

Moesbosch heeft zich voorts beroepen op dwaling. Zij stelt dat zij door SUWAS op het verkeerde been is gezet; als zij had begrepen dat zij de overeenkomst zou aangaan voor al haar personeel, had zij de overeenkomst niet (op dezelfde wijze) gesloten. Het hof oordeelt hierover als volgt. Ook als juist is de stelling van Moesbosch dat zij destijds niet heeft gewild dat zij met haar volledige personeelsbestand vrijwillig bij de CAO Vervroegd Uittreden Agrarische Sectoren zou aansluiten, betekent dat nog niet dat haar beroep op dwaling slaagt. Daarvoor is noodzakelijk dat de dwaling is te wijten aan een inlichting van SUWAS of dat SUWAS in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, heeft nagelaten Moesbosch in te lichten. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanwijzingen dat SUWAS wist of behoorde te weten dat de werkelijke wens van Moesbosch was dat zij slechts met een gedeelte van haar personeelsbestand bij het SUWAS-fonds wilde aansluiten. Het ligt in beginsel op de weg van Moesbosch om in voldoende duidelijke bewoordingen haar wensen kenbaar te maken. SUWAS mocht dan ook afgaan op de brief van 21 januari 1998 en de daarin verstrekte informatie, die deze wens niet uitdrukkelijk vermeldt. Daarbij is van belang dat SUWAS niet op de hoogte was van de voorgeschiedenis en in het bijzonder niet beschikte over de overeenkomst die Moesbosch in 1994 met de FNV had gesloten. Tot slot is het hof van oordeel dat SUWAS geen inlichtingen heeft verschaft op grond waarvan Moesbosch in dwaling is geraakt. SUWAS heeft juist wel aan haar mededelingsplicht voldaan doordat zij in haar brief van 1 april 1998 expliciet vermeldt dat de aansluiting bij het SUWAS-fonds ook voor toekomstige werknemers zou gaan gelden.