Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 10 december 2014
ECLI:NL:RBLIM:2014:10769
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 2008 in dienst. Hij is werkzaam in de functie van productiemedewerker en parketlegger. Na verkregen toestemming is de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werknemer stelt dat de opzegging op grond van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is. Bovendien vordert hij betaling achterstallig loon en van boetes die werkgeefster op het loon heeft ingehouden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De bedrijfseconomische redenen voor opzegging heeft werkgeefster voldoende aannemelijk gemaakt. Werknemer was ten tijde van de opzegging 54 jaar oud. Het dienstverband is van betrekkelijk korte duur – vijf jaar en zeven maanden – geweest. De betwisting van werkgeefster dat werknemer altijd naar behoren heeft gefunctioneerd, zal als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Werkgeefster heeft ter compensatie van de negatieve financiële gevolgen van het ontslag voor werknemer niet voorzien in een afvloeiingsregeling en werknemer is evenmin begeleid naar ander (passend) werk. Aannemelijk is dat gezien de huidige economische omstandigheden de leeftijd van werknemer en zijn medische klachten – zeker in combinatie – factoren kunnen zijn die zijn kansen op het (binnen redelijke termijn) vinden van ander werk bemoeilijken en dat was ook per 31 december 2013 klaarblijkelijk het geval/de reëel te achten verwachting. Door zich in geen enkel opzicht iets gelegen te laten liggen aan de te verwachten problemen voor haar met opzegging geconfronteerde werknemer heeft werkgeefster haar eigen belang te zeer centraal gesteld en zich jegens hem te weinig als goed werkgeefster gedragen. Hoewel een daartoe strekkende verklaring van recht op zichzelf overbodig is naast een beslissing tot toekenning van schadevergoeding, wordt de vordering te dien aanzien om praktische reden gehonoreerd. Er wordt een schadevergoeding toegekend van € 5.000.
Ten aanzien van de verkeersboetes wordt als volgt geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat zich voor wat betreft de door werknemer begane en beboete overtredingen omstandigheden voordeden die met zich brengen dat werkgeefster op grond van artikel 7:611 BW gehouden is de boetes voor haar rekening te nemen (met name door haar werknemer tot het begaan van de overtredingen ‘aan te zetten’). Het vorenstaande leidt ertoe dat werkgeefster de voor haar werknemer bestemde boetes mocht inhouden op het loon van werknemer, omdat zij via artikel 5 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) slechts bestuursrechtelijk als kentekenhouder tot betaling van de boetes aangesproken kon worden door het OM. Dit deel van de vordering moet derhalve afgewezen worden.
Werknemer stelt voorts dat werkgeefster ten onrechte op enig moment de loonbetaling heeft stopgezet. Werknemer heeft zich op 18 oktober 2013 ziek gemeld. Er was op dat moment sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid. Onder verwijzing naar het arrest Mak/SGBO (HR 27 juni 2008, JAR 2008/188) wordt geoordeeld dat werknemer niet is ingegaan op de uitnodiging van werkgeefster om op 29 oktober 2013 op gesprek te verschijnen om onder meer afspraken te maken over de werkhervatting per 4 november 2013. Er is geen materiaal beschikbaar waaruit in voldoende mate objectief afgeleid zou kunnen worden dat in geval van werkhervatting te verwachten was dat zeer waarschijnlijk en vrijwel onmiddellijk significante medische beperkingen bij werknemer aan de dag zouden treden. Nu werknemers stellingen op dit punt tekortschieten en ook anderszins niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hij zijn werkzaamheden niet hoefde te hervatten en dat de oorzaak daarvan in redelijkheid voor rekening van werkgeefster diende te komen, bestond er geen loondoorbetalingsverplichting voor werkgeefster krachtens artikel 7:628 BW.