Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 december 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:10346
X c.s./Magdalena Greens c.s.
Zeventien bemanningsleden zijn in de jaren 2000 tot en met 2011 ieder een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan met GC (of haar rechtsvoorgangster). In de arbeidsovereenkomsten is telkens opgenomen dat GC het recht heeft het bemanningslid te plaatsen op alle schepen die zij in beheer heeft. De rederijen in de onderhavige procedure fungeerden als zogenoemde eenschipsrederijen, en zij waren tot het najaar van 2012 ieder eigenaar van een zeeschip (de Greenships). LWI is enig aandeelhouder van elk van de rederijen en zij is hun enig bestuurder. Een van de bestuurders, en indirect enig aandeelhouder (Ultimate Beneficial Owner) van LWI is X. Enig aandeelhouder en enig bestuurder van CEC is Y. CEC was tot 31 oktober 2012 enig aandeelhouder van GC. Op 1 januari 2006 is CEC een Ship Management Agreement aangegaan met elk van de rederijen. Op grond van die overeenkomst was CEC als ‘crewing agent’ verantwoordelijk voor alle personeelszaken met betrekking tot de Greenships. CEC heeft deze werkzaamheden uitbesteed aan GC. De rederijen waren de enige opdrachtgevers van CEC. De bemanningsleden zijn tijdens hun dienstverband met GC ieder in wisselende perioden tewerkgesteld op verschillende van de Greenships. LWI heeft in 2012 besloten tot verkoop van de Greenships. GC heeft vervolgens voor de bemanningsleden een ontslagvergunning aangevraagd. UWV heeft bij beslissing van 16 oktober 2012 GC de ontslagvergunningen geweigerd, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de schepen daadwerkelijk zijn verkocht, niet is aangetoond dat GC daadwerkelijk haar bedrijf beëindigt, en onderhandelingen gaande zijn over overname van de aandelen in GC, waarbij het personeel van GC door de overnemende partij kan worden tewerkgesteld. De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek afgewezen (zie AR 2013-0008), op de grond dat onvoldoende gebleken is dat tussen partijen een zee-arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. In de onderhavige procedure vorderen de bemanningsleden voor recht te verklaren dat tussen de bemanningsleden ter ene zijde, en de rederijen als zeewerkgevers in de zin van artikel 309 WvK ter andere zijde, zee-arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen als bedoeld in artikel 375 WvK respectievelijk 397 WvK, althans rechtsverhoudingen zijn komen te ontstaan die materieel aan zee-arbeidsovereenkomsten gelijk dienen te worden gesteld. Voorts stellen zij dat de rederijen, alsmede GC jegens de bemanningsleden hebben gehandeld in strijd met het beginsel van goed (zee)werkgeverschap en dat LWI en CEC jegens de bemanningsleden onrechtmatig hebben gehandeld.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Inmiddels is op 20 augustus 2013 een nieuwe wettelijke regeling van de zee-arbeidsovereenkomst in werking getreden, die als Afdeling 12 deel is gaan uitmaken van Titel 10 van Boek 7 BW. Deze regeling is niet met terugwerkende kracht in werking getreden. De kantonrechter zal daarom het geschil van partijen, voor zover het de gestelde zee-arbeidsovereenkomsten betreft, beoordelen naar de destijds geldende wettelijke bepalingen die waren opgenomen in het WvK. De bemanningsleden hebben geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij een zee-arbeidsovereenkomst zijn aangegaan met één of meer van de rederijen en dat er tussen hen en de rederijen een gezagsverhouding is ontstaan. Anders dan de bemanningsleden hebben aangevoerd, vloeit de totstandkoming van de gestelde zee-arbeidsovereenkomsten niet rechtstreeks uit de wet voort. Ook uit HR 27 april 1955, NJ 1955/412 kunnen de bemanningsleden geen steun putten voor hun standpunt. In de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag stond nu juist, anders dan in deze zaak, vast dat er voor de uitvoering van één en dezelfde taak aan boord met twee werkgevers een arbeidsovereenkomst was aangegaan. De Hoge Raad oordeelde in dat licht dat niet is uitgesloten dat een persoon aan boord van een schip arbeid verricht zowel op grond van een arbeidsovereenkomst met de reder en tegelijkertijd ook op grond van een arbeidsovereenkomst met een ander dan de reder. Ook daaruit vloeit nog niet voort dat aan de werkzaamheden van de bemanningsleden aan boord van een Greenship tevens een arbeidsovereenkomst als bedoeld WvK (oud) met de betreffende rederij als eigenaar van dat Greenship ten grondslag lag. Evenmin is er grond om aan te nemen dat tussen (één of meer van) de rederijen en (één of meer van de) bemanningsleden een rechtsverhouding zou zijn ontstaan die rechtens materieel gelijk te stellen is aan een zee-arbeidsovereenkomst, reeds omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat daartoe wilsovereenstemming heeft bestaan tussen rederijen en bemanningsleden, en sprake is geweest van enige gezagsrelatie tussen een rederij en een bemanningslid.
De vordering tegen de rederijen strekt er niet toe om te doen vaststellen dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, maar dat zij in strijd met een beginsel van goed werkgeverschap hebben gehandeld. Omdat de rederijen geen werkgever van één of meer van de schepelingen waren, is de gevorderde verklaring voor recht, die daar nu juist wel vanuit gaat, niet toewijsbaar. Voorts wordt geoordeeld dat GC niet in strijd met het goed werkgeverschap of onrechtmatig jegens de bemanningsleden heeft gehandeld. GC had geen verplichting te zorgen dat zee-arbeidsovereenkomsten met de betreffende rederijen tot stand zou worden gebracht. Het verwijt dat GC het bij het aangaan dan wel verlengen van de arbeidsovereenkomsten met de bemanningsleden heeft doen voorkomen dat zij daarbij niet mede namens de rederijen optrad, treft evenmin doel. GC heeft immers aangevoerd dat zij bij het aangaan of verlengen van die overeenkomsten nu juist niet mede namens de rederijen optrad en de bemanningsleden hebben niet nader onderbouwd waarom aangenomen moet worden dat dit wel het geval was. De stelling dat GC heeft bijgedragen aan een poging het UWV in de ontslagprocedure te misleiden wordt niet gevolgd. Tot slot worden ook de vorderingen jegens LWI en CEC afgewezen.