Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 20 november 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:14502
werkgeefster/werkneemster c.s.
Werkneemster is met ingang van 1 september 2010 bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van Administratief/FO medewerker. Werkgeefster exploiteert een groothandel in bloemen en planten. In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding, een relatiebeding en een concurrentiebeding (voor de duur van twaalf maanden na einde dienstverband en een straal van 20 km) opgenomen. Werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst per 1 juli 2014 opgezegd met de bedoeling in dienst te treden bij Heembloemex. Na overleg tussen Heembloemex en werkgeefster over het concurrentiebeding heeft de overgang van werkneemster naar Heembloemex geen doorgang gevonden. Met ingang van 8 september 2014 is werkneemster in de functie van productiemedewerker in dienst getreden bij X. Werkgeefster stelt dat hiermee het concurrentiebeding wordt overtreden. Werkgeefster vordert – zakelijk weergegeven – werkneemster en X te gebieden iedere betrokkenheid van werkneemster bij X te beëindigen en gedurende de looptijd van het concurrentiebeding beëindigd te houden, zulks op straffe van een dwangsom. In reconventie vordert werkneemster (primair) schorsing van het concurrentiebeding.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat X een (directe) concurrent is van werkgeefster en dat zij in de directe nabijheid van werkgeefster – derhalve op minder dan 20 kilometer afstand van werkgeefster – is gevestigd. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat in een eventuele bodemprocedure – op grond van een onbillijke benadeling van werkneemster – zal worden geoordeeld dat het concurrentiebeding (gedeeltelijk) moet worden vernietigd. Blijkens haar functieomschrijving oefende werkneemster tijdens haar dienstverband van (ruim) drieënhalf jaar hoofdzakelijk administratieve werkzaamheden uit. Behoudens bijzondere omstandigheden kan voor dergelijke functies een concurrentiebeding, zoals dat door werkgeefster wordt gehanteerd, een onevenredige benadeling van de werknemer opleveren. Werkgeefster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat handhaving van het concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. Weliswaar heeft werkneemster mogelijk aan de hand van bijvoorbeeld facturen, orderjournaals en volumestatistieken de door werkgeefster gehanteerde marges kunnen berekenen, maar uit niets blijkt dat zij dat heeft gedaan en dat zij thans nog toegang tot die gegevens heeft. Voorts is niet gesteld of gebleken dat werkneemster uit hoofde van haar functie zodanige contacten onderhield met klanten en/of leveranciers dat zij daardoor over concurrentiegevoelige informatie of (commercieel) relevante contacten zou beschikken. Daar komt bij dat de duur van het dienstverband beperkt is geweest, dat werkgeefster werkneemster na het afketsen van het dienstverband met Heembloemex slechts voor een beperkte tijd in dienst heeft willen houden, dat werkgeefster niet heeft getracht haar concurrentiebelangen op een andere wijze te beschermen en dat andere voormalige werknemers niet aan hun concurrentiebeding zijn gehouden. Dat de (geografische) werking van het concurrentiebeding beperkt is, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal. In conventie wordt de vordering van werkgeefster afgewezen. In reconventie wordt de gevorderde schorsing van het concurrentiebeding toegewezen.