Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 24 september 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:12275
werkneemster/Stöbich B.V.
Werkneemster is op 4 november 2013 in dienst getreden bij Stöbich in de functie van binnendienstverkoopster. Bij brief van 7 juli 2014 heeft Stöbich aan werkneemster meegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen op 4 juli 2014. Als dringende reden voor het ontslag heeft Stöbich in die brief genoemd dat zij op 3 en 4 juli 2014, en in de periode daarvóór, beschadigingen heeft aangebracht aan de IT-systemen van Stöbich, alsmede dat zij op 3 en 4 juli 2014 haar computer heeft gebruikt voor privédoeleinden en tot tweemaal toe de computer van een collega heeft afgemeld. Werkneemster beroept zich op de vernietigbaarheid van het ontslag en vordert loondoorbetaling en wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven. Blijkens de ontslagbrief van 7 juli 2014 en de toelichting op de zitting, heeft Stöbich de feiten die zij ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet voor een belangrijk deel ontleend aan beelden die zijn gemaakt met een verborgen camera. Werkneemster stelt dat het maken van beelden met een verborgen camera onrechtmatig is en dat het daarmee verkregen bewijs daarom buiten beschouwing moet blijven in deze zaak. Geoordeeld wordt dat het waarschijnlijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen. Echter, de omstandigheid dat de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen, brengt niet zonder meer mee dat die beelden in deze zaak buiten beschouwing moeten blijven en niet als bewijs mogen worden gebruikt. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in beginsel het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder weegt dan het belang van uitsluiting van bewijs (zie HR 11 juli 2014, AR 2014-0603). Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden is uitsluiting van dat bewijs gerechtvaardigd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Stöbich heeft met de camerabeelden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werkneemster het IT-systeem van Stöbich bewust heeft beschadigd en gesaboteerd. Dat zij op 3 of 4 juli 2014 op haar werkplek een spelletje heeft gespeeld op haar computer is op zichzelf onvoldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Daarbij is mede van belang dat op de zitting is gebleken dat Stöbich geen gedragsregels heeft opgesteld voor haar werknemers ten aanzien van computergebruik en dat werkneemster in dit kader ook geen instructies of waarschuwingen heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor het afmelden van een computer van een collega. De loonvordering wordt toegewezen. De gevorderde wedertewerkstelling wordt afgewezen, omdat is gebleken dat werkneemster inmiddels ander werk heeft gevonden en vaststaat dat dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval zal eindigen op 4 november 2014, na afloop van de bepaalde tijd.