Naar boven ↑

Rechtspraak

Steens Consultants B.V./Stone Business Associates B.V. c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 december 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:10701

Steens Consultants B.V./Stone Business Associates B.V. c.s.

Geen overtreding geheimhoudingsbeding door drie voormalig werknemers. Bedrijfsinformatie was niet zonder toestemming in bezit. Conservatoir bewijsbeslag is onrechtmatig.

Steens Consultants is een onderneming die freelance finance professionals aan opdrachtgevers verbindt. A (field manager), B (business development manager) en C (recruiter) zijn alle drie bij Steens in dienst geweest. In de arbeidsovereenkomsten is onder meer een geheimhoudingsbeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst is in alle drie de gevallen door opzegging van de werknemer geëindigd. Stone is een interim-managementbureau dat zich (onder meer) richt op de markten Legal, HR, Procurement, ICT en Supply Chain en sinds 1 oktober 2012 ook op de interim-markt voor finance professionals. De drie werknemers zijn bij Stone in dienst getreden. Steens stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de drie werknemers het geheimhoudingsbeding hebben overtreden door bedrijfsinformatie van Steens zonder haar toestemming mee te nemen, deze bedrijfsinformatie en andere bedrijfseigendommen na beëindiging van hun dienstverband behouden te hebben en bedrijfsinformatie aan Stone ter beschikking te stellen. Aan haar vorderingen jegens Stone heeft Steens ten grondslag gelegd dat Stone onrechtmatig jegens Steens gehandeld heeft door misbruik te maken van de hiervoor bedoelde toerekenbare tekortkoming(en) van de drie werknemers door voornoemde bedrijfsinformatie van Steens aan te wenden voor haar eigen bedrijfsvoering, waarmee Stone zich jegens Steens tevens schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie. In reconventie stelt Stone zich op het standpunt dat het door Steens, op grond van artikel 1019c jo. 843a Rv gelegde conservatoir bewijsbeslag ten onrechte gelegd is, derhalve onrechtmatig is en dat Stone gehouden is de schade te vergoeden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stellingen van Steens zijn onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen en de vorderingen worden afgewezen. Daartoe is onder meer het volgende redengevend. Op grond van het rapport van Hoffman kan niet worden geoordeeld dat A bedrijfsinformatie van Steens weggenomen heeft en zijn geheimhoudingsbeding daarmee geschonden heeft. Weliswaar is gebleken dat er drie aan A te relateren USB-media op zijn computersysteem aangesloten zijn geweest, maar zonder nadere toelichting van Steens, die echter ontbreekt, kan dit enkele feit niet afdoen aan voornoemd oordeel. Zulks temeer niet nu A onweersproken heeft gesteld dat hij de gewoonte had om zijn Blackberry aan te sluiten op de computer om op die wijze de batterij van de mobiele telefoon op te laden. Aangezien het onderzoek van Hoffmann ten aanzien van B en C tot geen resultaat geleid heeft, kan uit het rapport niet worden afgeleid dat deze gedaagden hun geheimhoudingsbeding overtreden hebben. Bovendien is van belang dat Steens er kennelijk van heeft afgezien om het door Hoffmann bedoelde aanvullend onderzoek in te (laten) stellen. Steens heeft nog gesteld dat gebleken is dat de drie werknemers databestanden van Steens van hun computers bij Steens naar hun privé-e-mailadressen verzonden hebben. De producties bestaan alleen uit e-mails van A aan zijn privé-e-mailadres, zodat niet geconcludeerd kan worden dat B en C het geheimhoudingsbeding hebben overtreden. Stone c.s. heeft aangevoerd dat A bedoelde e-mails met bijlagen naar zijn privé-e-mailadres verzonden heeft, omdat hij, zoals Steens ook van hem verwachtte en dus met toestemming van Steens, buiten kantooruren thuis wilde werken aan zijn ‘administratie’ en het destijds niet mogelijk was om buiten kantoor in te loggen op het netwerk van Steens om in de bij Steens opgeslagen documenten te werken. Steens heeft dit niet betwist. Niet kan worden geconcludeerd dat A zijn geheimhoudingsbeding overtreden heeft door bedrijfsinformatie zonder toestemming van Steens in zijn bezit te nemen.

Ten aanzien van de vorderingen in reconventie wordt als volgt geoordeeld. Het bewijsbeslag is in het leven geroepen om de rechthebbende te voorzien van materiaal om zijn vordering ter zake een op zijn intellectueel eigendom gemaakte inbreuk te onderbouwen. Nu Steens onvoldoende gesteld heeft om ter zake de door haar gestelde inbreukvorderingen tot bewijslevering toe te worden gelaten en de vorderingen op die grond afgewezen zijn, is de grondslag aan het gelegde bewijsbeslag komen te ontvallen. De gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag wordt toegewezen en Steens wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 3.000.