Rechtspraak
verhuurder/werkneemster
X is als werkneemster aanvankelijk in dienst getreden van Y in de functie van kapster. In 1997 heeft X een huurovereenkomst gesloten waarbij zij de bedrijfsruimte van Y huurde en voor zichzelf een kapsalon exploiteerde. In de huurovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen, waarin X wordt verboden zich in de gemeente te vestigen gedurende een jaar na einde huurovereenkomst. In augustus 2012 is gesproken over de huurovereenkomst en heeft X de wens geuit van het concurrentiebeding af te willen. In 2013 is de overeenkomst tegen 1 september 2014 opgezegd. Volgens Y is nog steeds sprake van een concurrentiebeding waaraan X gebonden is.
Het hof oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang van Y ontbreekt. Zij heeft inmiddels huurders voor haar pand. Het hof is daarenboven van oordeel, in het kader van de op grond van artikel 254 lid 1 Rv uit te voeren belangenafweging, dat het belang van Y bij toewijzing van haar vordering in hoger beroep, die erop neerkomt dat X haar beautysalon in A tot 1 september 2015 sluit, niet opweegt tegen het belang van X bij de voortzetting van de beautysalon zoals zij die sinds 1997 exploiteert. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat de schade van Y sinds de verhuur van het pand nog steeds oploopt, althans dat de gevraagde voorziening het oplopen van die schade zou kunnen tegengaan, terwijl de schade voor X indien zij haar bedrijf (tijdelijk) moet sluiten evident is.