Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer (geboren 1969) is in 1987 in dienst getreden van werkgever, een klein bouwbedrijf met drie tot vijf werknemers. Werknemer was laatstelijk werkzaam als metselaar II. In 2010 heeft werkgever het personeel gewaarschuwd dat het slecht ging en dat omgezien moest worden naar andere arbeid. Werknemer heeft toentertijd een beëindigingsvoorstel afgewezen. Na een eerdere weigering heeft het UWV uiteindelijk toestemming verleend. De overeenkomst is per 2 november 2012 opgezegd. Werknemer is sindsdien werkloos. Hij vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag met een beroep op het gevolgencriterium. Werknemer is van mening dat bij waardering van alle omstandigheden de balans moet uitvallen in zijn voordeel, waarbij hij met name aandacht vraagt voor zijn lage opleiding en eenzijdige arbeidservaring (vanaf de schoolbanken 25 jaar bij deze werkgever) en gebrek aan scholing: ondanks het in de cao neergelegde recht op twee scholingsdagen per jaar heeft de werkgever hem nimmer in de gelegenheid gesteld zich bij te scholen en evenmin heeft de werkgever een scholingsplan vastgesteld. Van het salaris van werknemer is wel steeds een bijdrage ten behoeve van het Scholingsfonds ingehouden. Werknemer is evenmin in de gelegenheid gesteld zich door middel van outplacementbegeleiding weerbaarder te maken of te leren zich beter te presenteren.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is, evenals Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:2515) van oordeel dat het in het verleden verre van gebruikelijk was om werknemers als werknemer scholing te bieden ter voorkoming van een eenzijdige werkervaring, zodat werkgevers dienaangaande geen verwijt van betekenis treft en zij daarvan de gevolgen niet (deels) zouden moeten dragen. Werknemer heeft kennelijk ook zelf, in de periode waarin hij rekening moest gaan houden met werkloosheid – waarvoor hij immers al in 2010 was gewaarschuwd –, geen reden gezien om werk te maken van enige vorm van (bij)scholing. Werkgevers hebben werknemer zo lang mogelijk aan het werk gehouden. Dat van hen, gezien hun financiële positie, méér kon worden gevergd is niet gebleken. Zij hebben onvoldoende weersproken gesteld dat zij relaties hebben benaderd met de vraag of zij ruimte hadden voor werknemer, hetgeen gezien de crisis in de bouw niets heeft opgeleverd. Tegen de achtergrond hiervan, mede in aanmerking genomen het voor werknemer bestaande vangnet bestaande in sociale verzekeringen, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat het ontslag op grond van het gevolgencriterium niet kennelijk onredelijk is.