Naar boven ↑

Rechtspraak

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)/Demirci
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 januari 2015
ECLI:EU:C:2015:8

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)/Demirci

Turkse werknemers met dubbele nationaliteit kunnen zich niet met een beroep op Besluit 3/80 coördinatie sociale zekerheid Turkije-EG onttrekken aan het woonplaatsvereiste. Nuancering Akdas-arrest.

Verweerders in het hoofdgeding zijn voormalige Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt van Nederland in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80 hebben behoord. Nadat zij arbeidsongeschikt waren geworden, hebben zij vóór het jaar 2000 een door de Nederlandse overheid verstrekte WAO-uitkering aangevraagd en gekregen. Aangezien deze uitkering lager was dan het minimumloon, werd aan verweerders in het hoofdgeding ingevolge de vóór 1 januari 2000 geldende versie van de Toeslagenwet (TW) ook een aanvullende prestatie uitgekeerd, teneinde hun een inkomen te verschaffen dat zo dicht mogelijk bij het minimumloon aansloot. Verweerders in het hoofdgeding zijn naar hun gezin in Turkije teruggekeerd, nadat zij, met behoud van de Turkse nationaliteit, de Nederlandse nationaliteit hadden verkregen. Op grond van artikel 39 lid 4 van het aanvullend protocol bleven zij de WAO-uitkering en de aanvullende prestatie ontvangen. Overeenkomstig de TW, zoals die per 1 januari 2000 bij de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU; waarmee de TW niet langer werd toegekend aan werknemers die niet binnen Nederland woonachtig bleven) was gewijzigd, hebben de bevoegde Nederlandse autoriteiten op grond van de overgangsregeling besloten de tot dan toe aan verweerders in het hoofdgeding uitgekeerde aanvullende prestatie vanaf 1 januari 2001 af te bouwen met een derde per jaar, zodat die prestatie op 1 juli 2003 definitief wegviel. Verweerders in het hoofdgeding hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten van het UWV. De Rechtbank Amsterdam heeft de betrokken besluiten nietig verklaard bij vonnissen van 19 maart en 23 augustus 2004, waarop het UWV hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. In het kader van de aldaar aanhangige procedure heeft de verwijzende rechter het Hof prejudiciële vragen gesteld en de behandeling van de zaak in afwachting van het antwoord van het Hof geschorst. Op 26 mei 2011 heeft het Hof in zijn arrest Akdas e.a. (C-485/07, ECLI:EU:C:2011:346) met betrekking tot werknemers die op grond van de TW dezelfde aanvullende prestaties hadden ontvangen als verweerders in het hoofdgeding maar, anders dan deze laatsten, enkel de Turkse nationaliteit hadden, geoordeeld dat artikel 6 lid 1 eerste alinea van Besluit 3/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden zoals die van het betrokken hoofdgeding verzet tegen een regeling van een lidstaat als artikel 4a TW, die een op grond van de nationale wettelijke regeling toegekende prestatie, zoals de aanvullende prestatie, intrekt voor voormalige migrerende Turkse werknemers die naar Turkije zijn teruggekeerd nadat zij het recht om in de ontvangende lidstaat te verblijven hebben verloren omdat zij er arbeidsongeschikt zijn geworden. De vraag is gerezen of de oplossing waartoe het Hof in het arrest Akdas e.a. (ECLI:EU:C:2011:346) is gekomen, ook voor het onderhavige geding kan gelden, nu verweerders in het hoofdgeding niet alleen de Turkse, maar ook de Nederlandse nationaliteit hebben. Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of Nederlandse staatsburgers die de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen nadat zij onder de voorwaarden van Besluit 1/80 tot de arbeidsmarkt van Nederland zijn toegetreden, zich op grond van het feit dat zij de Turkse nationaliteit hebben behouden nog kunnen beroepen op Besluit 3/80 om zich te onttrekken aan de voorwaarde waaraan volgens de nationale wettelijke regeling moet zijn voldaan om aanspraak te kunnen maken op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4 lid 2 bis van Verordening 1408/71, zoals gewijzigd bij Verordening 647/2005, namelijk dat de betrokkenen op het grondgebied van deze lidstaat wonen.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 12 van de associatieovereenkomst de overeenkomstsluitende partijen overeenkomen zich te laten leiden door de artikelen 39 tot en met 41 van het EG-Verdrag, teneinde onderling het vrije verkeer van werknemers geleidelijk tot stand te brengen. Verder bepaalt artikel 36 van het aanvullend protocol dat het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk tot stand wordt gebracht overeenkomstig de in artikel 12 van de associatieovereenkomst neergelegde beginselen. In die context geven de Besluiten 1/80 en 3/80 uitvoering aan de associatieovereenkomst. Artikel 3 lid 1 van Besluit 3/80 geeft uitvoering aan en concretiseert het in artikel 9 van de associatieovereenkomst neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het bijzondere gebied van de sociale zekerheid (arrest Akdas e.a., ECLI:EU:C:2011:346, punt 98). Het staat vast dat verweerders in het hoofdgeding de rechten hebben genoten die de associatieregeling EEG-Turkije hun toekent als Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt van Nederland hebben behoord. Toen zij blijvend arbeidsongeschikt werden, kwamen zij onder de in de nationale wettelijke regeling gestelde voorwaarden in aanmerking voor de aanvullende prestatie. Voorts hebben zij de Nederlandse nationaliteit verkregen, zonder afstand te doen van de Turkse nationaliteit. In dergelijke omstandigheden kunnen verweerders in het hoofdgeding zich niet met een beroep op Besluit 3/80 verzetten tegen het woonplaatsvereiste waarvan de nationale wettelijke regeling het ontvangen van de betrokken aanvullende prestatie afhankelijk stelt. In de eerste plaats komen verweerders in het hoofdgeding in een heel specifieke positie te verkeren vanwege het feit dat zij als Turkse werknemers de nationaliteit van de ontvangende lidstaat hebben verkregen, in het bijzonder gelet op de doelstellingen van de associatieregeling EEG-Turkije. Wat ten eerste het met deze associatieregeling beoogde integratiedoel betreft, moet worden opgemerkt dat de Turkse werknemer die de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst verkrijgt, hiermee in beginsel het hoogste niveau van integratie in die lidstaat bereikt. Ten tweede brengt de verwerving van de nationaliteit van deze lidstaat voor de Turkse staatsburger niet alleen de rechtsgevolgen van de regeling teweeg die verband houden met het bezit van deze nationaliteit, maar tegelijk ook die welke verband houden met het burgerschap van de Unie, met name op het gebied van het recht van verblijf en vrij verkeer. Voorts moet in herinnering worden geroepen dat Turkse staatsburgers, anders dan werknemers uit de lidstaten, niet het recht hebben zich vrij binnen de Unie te verplaatsen, maar slechts bepaalde rechten genieten in de lidstaat van ontvangst (zie arresten Tetik, C-171/95, ECLI:EU:C:1997:31, punt 29, en Derin, C-325/05, ECLI:EU:C:2007:442, punt 66). Bijgevolg rechtvaardigt niets dat een Turks staatsburger wiens juridische status noodzakelijkerwijs is gewijzigd op het ogenblik waarop hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen, door deze staat voor de uitkering van een prestatie als die van het hoofdgeding niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld. In de tweede plaats ligt een dergelijke vaststelling temeer voor de hand daar een dubbel ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven zou worden geroepen als burgers van een lidstaat die de nationaliteit daarvan hebben verkregen nadat zij er als Turkse werknemers zijn onthaald, zonder dat zij afstand hebben gedaan van de Turkse nationaliteit, op grond van Besluit 3/80 zouden worden vrijgesteld van het voor de uitkering van de aanvullende prestatie geldende woonplaatsvereiste. Ten eerste zouden personen in de situatie van verweerders in het hoofdgeding namelijk gunstiger worden behandeld dan Turkse werknemers die de nationaliteit van de ontvangende lidstaat niet hebben en die, wanneer zij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van deze staat behoren, er niet langer een verblijfsrecht hebben. Ten tweede zouden die personen ook worden bevoordeeld ten opzichte van de burgers van de ontvangende lidstaat of van een andere lidstaat voor wie weliswaar een gunstige regeling geldt op het gebied van verblijf en vrij verkeer in de Unie, maar die voor de uitkering van de aanvullende prestatie onderworpen blijven aan de voorwaarde dat zij op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden wonen. Bijgevolg kunnen burgers van een lidstaat die, zoals verweerders in het hoofdgeding, de nationaliteit van deze staat hebben verkregen nadat zij als Turkse werknemers tot de legale arbeidsmarkt ervan zijn toegetreden in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80, zonder dat zij afstand hebben gedaan van de Turkse nationaliteit, zich niet met een beroep op Besluit 3/80 onttrekken aan het woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling van deze staat een uitkering als die van het hoofdgeding afhankelijk stelt. In dit opzicht moet het hoofdgeding worden onderscheiden van de zaak die tot het arrest Akdas e.a. (ECLI:EU:C:2011:346) heeft geleid. Dat arrest betreft immers Turkse staatsburgers die tot de legale arbeidsmarkt van Nederland hebben behoord en naar Turkije hebben moeten terugkeren omdat zij blijvend arbeidsongeschikt waren geworden. Gelet op een en ander moet Besluit 3/80, mede in het licht van artikel 59 van het aanvullend protocol, aldus worden uitgelegd dat burgers van een lidstaat die als Turkse werknemers tot de legale arbeidsmarkt van deze staat hebben behoord, zich niet op grond van het feit dat zij de Turkse nationaliteit hebben behouden, kunnen beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te verzetten tegen een woonplaatsvereiste waaraan volgens de wettelijke regeling van deze staat moet zijn voldaan om aanspraak te kunnen maken op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4 lid 2 bis van Verordening 1408/71, zoals gewijzigd bij Verordening 647/2005.