Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 januari 2015
ECLI:EU:C:2015:20
Felber/Bundesministerin für Unterricht, Kunst und Kultur
Felber, die is geboren in 1956, oefent het beroep uit van hoogleraar en is sinds 1991 ambtenaar in dienst van de Bund (Oostenrijkse federale overheid). Enkel de tijdvakken van onderwijs en beroepsactiviteit die waren vervuld na de voltooiing van het achttiende levensjaar werden voor de berekening van de pensioenrechten van Felber meegeteld. Het tijdvak van onderwijs dat laatstgenoemde had vervuld vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar, in casu drie studiejaren, werd bijgevolg niet meegeteld. Met een beroep op het arrest Hütter (C-88/08, ECLI:EU:C:2009:381), heeft Felber verzocht dat dit tijdvak wordt meegeteld dan wel kan worden bijgekocht tegen betaling van een buitengewone bijdrage. Met de eerste en de derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of de artikelen 2 lid 1 en 2 onder a en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de door een ambtenaar vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar vervulde studietijdvakken niet mee worden geteld voor de toekenning van het pensioenrecht en voor de berekening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen, terwijl deze tijdvakken wél worden meegeteld wanneer zij zijn vervuld nadat hij deze leeftijd heeft bereikt.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, hangt het pensioenbedrag af van de tijdvakken van dienstverband en daaraan gelijkgestelde tijdvakken, alsmede van het door de ambtenaar ontvangen salaris. Het ouderdomspensioen vormt een toekomstige betaling in contanten, die door de werkgever wordt overgemaakt aan zijn werknemers, als direct gevolg van de dienstbetrekking van laatstgenoemden. Dit pensioen wordt immers, naar nationaal recht, aangemerkt als de doorbetaling van een vergoeding in het kader van een publiekrechtelijk dienstverband dat voortbestaat nadat de ambtenaar het recht op pensioenuitkeringen heeft verkregen. Voornoemd pensioen vormt in dat opzicht een beloning in de zin van artikel 157 lid 2 VWEU. Pensioen is derhalve geen regeling van socialezekerheidsrechtelijke aard (die is uitgesloten van de richtlijn).
Vervolgens stelt het Hof vast dat onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd, maar dit onderscheid mogelijk objectief te rechtvaardigen valt. In dit verband volgt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat het meetellen van aan de indiensttreding van de ambtenaar voorafgaande tijdvakken die deze heeft vervuld buiten de dienstbetrekking, een afwijkende regeling is, die is ingevoerd om ambtenaren die voorafgaand aan hun indiensttreding bij de Bund een hogere opleiding hebben voltooid dan ambtenaren die, om te worden aangeworven, aan geen enkel bijzonder opleidingsvereiste hoefden te voldoen en dus onmiddellijk na de voltooiing van het achttiende levensjaar in dienst konden treden bij de Bund, niet te benadelen wat betreft de verwerving van pensioenrechten. Aldus zijn de bepalingen van de pensioenregeling van de ambtenaren zodanig ontworpen, dat de totale loopbaan die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het bedrag van het ouderdomspensioen teruggaat tot de minimumleeftijd die is vereist om in dienst te kunnen treden van de staat. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling beoogt de datum van aanvang van de bijdrage aan de pensioenregeling en, bijgevolg, de handhaving van de pensioengerechtigde leeftijd eenvormig te maken. In deze context wordt het niet meetellen van de vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar vervulde studietijdvakken gerechtvaardigd door het feit dat de betrokkene gedurende deze tijdvakken in beginsel geen enkele beloonde activiteit verricht die aanleiding geeft tot betaling van bijdragen aan de pensioenregeling. Deze doelstelling vormt, aangezien het nastreven ervan de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling waarborgt voor alle personen in een bepaalde sector in verband met een wezenlijk aspect van hun arbeidsbetrekking – zoals het moment van vertrek met pensioen – een legitieme doelstelling van werkgelegenheidsbeleid (zie naar analogie arrest Commissie/Hongarije, C-286/12, ECLI:EU:C:2012:687, punt 61). Bijgevolg is het niet meetellen, krachtens deze bepaling, van de inaanmerkingneming van tijdvakken van onderwijs die zijn vervuld vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar, passend om het aangevoerde legitieme doel te bereiken, dat erin bestaat een werkgelegenheidsbeleid vast te stellen op grond waarvan alle personen die zijn aangesloten bij de pensioenregeling van de ambtenaren op dezelfde leeftijd beginnen bij te dragen en het recht verwerven op een volledig ouderdomspensioen, en aldus een gelijke behandeling van de ambtenaren te verzekeren. Aangaande de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken, zij eraan herinnerd dat het verzoek dat ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, net als in de zaak die heeft geleid tot het arrest Hütter (ECLI:EU:C:2009:381), geen betrekking heeft op het al dan niet meetellen van vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar vervulde tijdvakken van arbeid, maar enkel op het al dan niet meetellen van de bij een instelling voor voorbereidend of hoger voortgezet onderwijs vervulde tijdvakken van onderwijs. Dienaangaande lijkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling coherent met het oog op de door de verwijzende rechter naar voren gebrachte rechtvaardiging, te weten dat tijdvakken gedurende welke de betrokkene geen bijdragen aan de pensioenregeling heeft betaald, moeten worden uitgesloten van de berekening van het ouderdomspensioen. Derhalve dient op de eerste en op de derde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 2 lid 1 en 2 onder a en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de studietijdvakken die door een ambtenaar zijn vervuld vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar, niet worden meegeteld voor de toekenning van het pensioenrecht en voor de berekening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen, voor zover deze regeling, enerzijds, objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel inzake werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid, en, anderzijds, een passend en noodzakelijk middel voor de verwezenlijking van die doelstelling vormt.