Rechtspraak
ARS Traffic & Transport Technology/werknemer
(Vervolg op AR 2013-0895.) Werknemer is op 1 april 2000 bij ARS in dienst getreden in de functie van Manager en Senior Consultant. In 2002 is werknemer op verzoek van ARS technisch directeur geworden; voorts bleef zijn functie Senior Consultant. In 2003 heeft werknemer op grond van de winstdelingsregeling € 35.000 ontvangen. In 2004 werd werknemer op verzoek van ARS algemeen directeur, terwijl tevens twee andere directeuren werden benoemd. In 2005 kreeg werknemer hartklachten, als gevolg waarvan hij is teruggetreden als algemeen directeur. Hij keerde terug in zijn functie van de aanvang van de arbeidsovereenkomst en bleef als zodanig deel uitmaken van het managementteam. Vanaf 2007 heeft werknemer geen winstdeling meer ontvangen. In 2010 ontstaat er een geschil over het in 2000 vastgestelde aandelenoptieplan. In een kort geding hierover beticht ARS werknemer van ‘disfuctioneren’ in zijn functie van directeur. Inmiddels loopt over deze procedure een bodemzaak. Nadien verslechteren de arbeidsverhoudingen tussen partijen en worden de beoordelingen negatief. Vanaf september 2012 heeft ARS het loon van werknemer maandelijks verminderd met 4%. Werknemer heeft uiteindelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 mei 2013, onder toekenning van een vergoeding aan werknemer ten laste van ARS van € 306.350,42 bruto. Tegen dit oordeel heeft ARS zich in hoger beroep gekeerd. Volgens ARS diende eerst de uitkomst van een bodemzaak tussen partijen te worden afgewacht ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken. Het hof oordeelde evenwel dat geen sprake was van een doorbrekingsgrond. Volgens ARS heeft het hof ‘althans miskend’ dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen indien aan een verzoek van de werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een vergoeding als bedoeld in lid 8 van artikel 7:685 BW hetzelfde feitenrelaas (en dan met name een reeks van verwijten aan het adres van de werkgever) ten grondslag wordt gelegd als reeds in de eerder door de werknemer begonnen rolprocedure, terwijl dat feitenrelaas in die rolprocedure door de werkgever uitdrukkelijk is betwist en derhalve rechtens niet (zonder meer) als vaststaand kan worden aangenomen, als gevolg waarvan tegenstrijdige uitspraken in die ontbindings- en rolprocedure zouden kunnen ontstaan.
De A-G (Spier) concludeert als volgt. Hij staat eerst stil bij het appelverbod van artikel 7:685 lid 11 BW en merkt op dat op korte termijn het appelrecht in ontbindingsprocedures wijzigt. Om die reden acht hij een koerswijziging van de Hoge Raad ten aanzien van de doorbrekingsgrondenarresten niet opportuun. Hij wijst op het bijzondere karakter van artikel 7:685 BW. In dat kader merkt hij op dat een beschikking ex artikel 7:685 BW geen dwingende bewijskracht heeft in een andere procedure. In de pleitnota in appel en eveneens in het onderdeel wordt nog beroep gedaan op het arrest Arkema/Pekaar. Het is, aldus de A-G, juist dat de Hoge Raad daarin wijst op de wenselijkheid om tegenstrijdige uitspraken te vermijden. Maar het arrest kan ARS zijns inziens niet baten. In de eerste plaats en vooral omdat het daar ging om twee geheel andere procedures, te weten één gebaseerd op artikel 7:658 BW (wegens beweerde blootstelling aan oplosmiddelen) en een kennelijk-onredelijkontslagprocedure. In die zaak was door het hof in eerstgenoemde procedure aangenomen dat het bewijs van het arbeidsgerelateerd zijn van de gezondheidsklachten niet was geleverd. Bij die stand van zaken lag inderdaad niet voor de hand – de Hoge Raad wijst daarop – dat hetzelfde hof in de kennelijk-onredelijkontslagprocedure wél van zo’n verband uitging. Een dergelijke tegenstrijdigheid tussen twee uitspraken van hetzelfde rechterlijke college doet zich in casu evenwel niet voor. De A-G eindigt: ‘Ik kan en wil niet treden in hetgeen is voorgevallen bij de behandeling van het ontbindingsverzoek. Ook wanneer ervan zou moeten worden uitgegaan dat die behandeling niet vlekkeloos zou zijn verlopen, rechtvaardigt dat slechts doorbreking van het appelverbod binnen de nauwe grenzen van de rechtspraak van de Hoge Raad. Dat kan in voorkomende gevallen inderdaad onbevredigend zijn voor een partij (of zelfs voor beide partijen), maar dat is nu eenmaal de vrucht van het (thans nog geldende) wettelijk stelsel waaraan de rechter gebonden is. Het stemt tot vreugde dat problemen zoals door ARS aan de orde gesteld in de beoogde nieuwe wettelijke regeling niet meer behoeven te rijzen. ARS heeft daar, naar ik onderken, niets aan. Maar ook dat berust op een keuze van de wetgever die de rechter dient te respecteren.’
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.