Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 28 januari 2015
ECLI:EU:C:2015:38
Oostenrijkse spoorwegen ÖBB Personenverkehr AG/Starjakob
Starjakob, geboren op 11 mei 1965, is op 1 februari 1990 begonnen te werken bij een vennootschap waarvan ÖBB de rechtsopvolger is. In overeenstemming met § 3 BO 1963 is voor de vaststelling van de peildatum voor de bevordering van Starjakob zijn leertijd na zijn achttiende verjaardag voor de helft meegeteld, terwijl de leertijd vóór die datum niet is meegeteld. In 2012 heeft G. Starjakob op grond van het arrest Hütter (C-88/08, ECLI:EU:C:2009:381) tegen ÖBB een vordering ingesteld tot betaling van het verschil in salaris dat hem zou toekomen voor de periode 2007‑2012 indien de peildatum voor zijn bevordering was berekend inclusief de vóór zijn achttiende verjaardag voltooide leertijd. Het Landesgericht Innsbruck (regionale rechtbank Innsbruck) heeft de vordering verworpen op grond dat § 53a BBG een einde maakte aan de discriminatie op grond van leeftijd. Het heeft geoordeeld dat G. Starjakob slechts kon eisen dat de peildatum voor bevordering werd berekend volgens lid 1 van die paragraaf, indien hij de gevolgen van die nieuwe peildatum aanvaardde zoals uiteengezet in lid 2 van die paragraaf met betrekking tot de verlenging van de voor bevordering vereiste tijdvakken, en overeenkomstig lid 4 van dezelfde paragraaf het bewijs leverde van de mee te tellen diensttijd (verplichting tot medewerking). Aangezien Starjakob dat bewijs nog niet had geleverd, is de peildatum voor zijn bevordering op grond van § 3 BO 1963 behouden. In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Innsbruck (regionale hogere rechtbank Innsbruck) de vordering van Starjakob toegewezen. Het heeft geoordeeld dat, daar dat bewijs niet was geleverd, de door BO 1963 bepaalde rechtssituatie op Starjakob van toepassing was, maar dat deze discriminerend was. Dienovereenkomstig heeft het geoordeeld dat een nieuwe peildatum voor de bevordering van Starjakob moest worden vastgesteld met meetelling van de vóór het verstrijken van het achttiende levensjaar voltooide leertijd, doch zonder de voor zijn bevordering vereiste tijdvakken te verlengen (vertraging in de eerste schalen).
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken van arbeid meetelt en tegelijkertijd het voor bevordering vereiste tijdvak in elk van de eerste drie salaristrappen met één jaar verlengt. Aangezien de verlenging met één jaar van ieder voor bevordering vereist tijdvak in elk van de eerste drie trappen alleen voor ambtenaren geldt die een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een rechtstreeks op leeftijd gebaseerd verschil in behandeling in de zin van artikel 2 lid 2 onder a van Richtlijn 2000/78 inhoudt (zie in die zin arrest Schmitzer, ECLI:EU:C:2014:2359, punt 35). Aangaande de doelstelling van financiële neutraliteit die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt nagestreefd, zij in herinnering gebracht dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat de lidstaten behalve met politieke, sociale of demografische overwegingen ook rekening houden met begrotingsoverwegingen, voor zover zij daarbij inzonderheid het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd eerbiedigen. In zoverre kunnen begrotingsoverwegingen weliswaar ten grondslag liggen aan de keuzes van sociaal beleid van een lidstaat en de aard of de omvang van de maatregelen die deze wenst vast te stellen beïnvloeden, maar dergelijke overwegingen kunnen op zich geen legitiem doel in de zin van artikel 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 vormen (arrest Fuchs en Köhler, C-159/10 en C-160/10, ECLI:EU:C:2011:508, punten 73 en 74). Hetzelfde geldt voor de door de verwijzende rechter en de Oostenrijkse regering genoemde overwegingen van administratieve aard (zie in die zin arrest Schmitzer, ECLI:EU:C:2014:2359, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangaande de eerbiediging van verworven rechten en de bescherming van het gewettigd vertrouwen van onder de vroegere regeling bevoordeelde ambtenaren wat hun bezoldiging betreft, zij voorts opgemerkt dat deze doelstellingen legitieme doelstellingen van het werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsmarkt vormen die – gedurende een overgangsperiode – kunnen rechtvaardigen dat de vroegere bezoldigingen, en daarmee een regeling die discrimineert op grond van leeftijd, worden gehandhaafd (arrest Schmitzer, ECLI:EU:C:2014:2359, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In casu zij vastgesteld dat, aangezien § 53a lid 2 punt 3 BBG bepaalt dat de nieuw vastgestelde individuele peildatum voor bevordering geen effect sorteert indien deze tot een lager salaris voor de betrokken ambtenaren zou leiden, de verworven rechten van die ambtenaren met betrekking tot hun bezoldiging onder de nieuwe salarisregeling worden beschermd. Die doelstellingen kunnen echter geen rechtvaardiging vormen voor een maatregel die – al is het maar voor bepaalde personen – het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat met de hervorming van een discriminerende regeling, waarvan die maatregel deel uitmaakt, moet worden beëindigd, definitief handhaaft. Een dergelijke maatregel is niet een maatregel waarmee een niet-discriminerende regeling voor onder die vroegere regeling benadeelde ambtenaren tot stand kan worden gebracht, ook al kan daarmee de bescherming van verkregen rechten en van het gewettigd vertrouwen van onder de vroegere regeling bevoordeelde ambtenaren worden gewaarborgd (arrest Schmitzer, ECLI:EU:C:2014:2359, punt 44). Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de eerste vraag, onder (b), en de vierde vraag moet worden geantwoord dat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken van arbeid meetelt, maar tegelijkertijd een regel bevat, die in werkelijkheid slechts op ambtenaren van toepassing is die het slachtoffer zijn van die discriminatie, volgens welke het voor bevordering vereiste tijdvak in elk van de eerste drie salaristrappen met één jaar wordt verlengd, waardoor een verschil in behandeling op grond van leeftijd definitief wordt gehandhaafd.
Vervolgens wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale regeling waarmee wordt beoogd een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, een ambtenaar wiens vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde diensttijd niet is meegeteld bij de berekening van zijn bevordering, noodzakelijkerwijs de mogelijkheid moet bieden een financiële compensatie te ontvangen ten belope van het verschil tussen het salaris dat hij zonder een dergelijke discriminatie zou hebben ontvangen en het salaris dat hij daadwerkelijk heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak kan wanneer een met het Unierecht strijdige discriminatie is vastgesteld, de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel, zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, derhalve alleen worden verzekerd door de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten, welke regeling, zolang het Unierecht niet naar behoren wordt toegepast, het enig bruikbare referentiekader blijft (zie arresten Jonkman e.a., C-231/06–C-233/06, ECLI:EU:C:2007:373, punt 39, en Landtová, C-399/09, ECLI:EU:C:2011:415, punt 51). Het Hof heeft geoordeeld dat die oplossing slechts kan worden toegepast wanneer een bruikbaar referentiekader bestaat (zie arrest Specht e.a., C-501/12–C-506/12, ECLI:EU:C:2014:2005, punt 96). Dat is in het hoofdgeding het geval. Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, onder (b), en de vierde vraag wordt het Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2000/78, na de vaststelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling nog steeds niet naar behoren toegepast. De op de onder de vroegere regeling bevoordeelde ambtenaren van toepassing zijnde regeling blijft dus het enige geldige referentiekader. Derhalve kan de gelijke behandeling in een geval als in het hoofdgeding alleen worden hersteld door de onder de vroegere regeling benadeelde ambtenaren de voordelen toe te kennen die de onder die regeling bevoordeelde ambtenaren konden genieten met betrekking tot zowel de meetelling van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde opleidings- en diensttijdvakken als het stijgen in salaristrappen. Uit het voorgaande volgt dat op de eerste vraag, onder (a), moet worden geantwoord dat het Unierecht, in het bijzonder artikel 16 van Richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling waarmee wordt beoogd een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, een ambtenaar wiens vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde diensttijd niet is meegeteld bij de berekening van zijn bevordering, niet noodzakelijkerwijs de mogelijkheid moet bieden een financiële compensatie te ontvangen ten belope van het verschil tussen het salaris dat hij zonder een dergelijke discriminatie zou hebben ontvangen en het salaris dat hij daadwerkelijk heeft ontvangen. In een geval als in het hoofdgeding kan, zolang er geen stelsel is ingevoerd dat de leeftijdsdiscriminatie opheft in overeenstemming met Richtlijn 2000/78, de gelijke behandeling evenwel alleen worden hersteld door de onder de vroegere regeling benadeelde ambtenaren de voordelen toe te kennen die de onder die regeling bevoordeelde ambtenaren konden genieten met betrekking tot de meetelling van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde opleidings- en diensttijdvakken, maar ook met betrekking tot het stijgen in salaristrappen.
Ten aanzien van de verjaringstermijng (drie jaar) oordeelt het Hof dat het doeltreffendheidsbeginsel aldus moet worden uitgelegd dat het zich in een geval als in het hoofdgeding niet ertegen verzet dat een nationale verjaringstermijn voor aan het Unierecht ontleende rechten ingaat vóór de uitspraak van een arrest van het Hof waarbij de rechtssituatie op dit gebied wordt opgehelderd.