Naar boven ↑

Rechtspraak

Finse vakbond Sähköalojen/Elektrobudowa Spółka Akcyjna (ESA)
Hof van Justitie van de Europese Unie, 12 februari 2015
ECLI:EU:C:2015:86

Finse vakbond Sähköalojen/Elektrobudowa Spółka Akcyjna (ESA)

Finse vakbond bevoegd op te treden tegen loonkwestie internationale detachering. Bekostiging van de huisvesting en maaltijdbonnen ter vergoeding van de kosten van levensonderhoud in verband met de terbeschikkingstelling vormen geen bestanddelen van het minimumloon.

ESA is een in Polen gevestigde onderneming die actief is in de elektriciteitssector. Zij heeft een filiaal in Finland. Ten behoeve van een bouwproject in Finland heeft ESA in Polen overeenkomstig het Poolse recht arbeidsovereenkomsten gesloten met 186 werknemers. Die werknemers werden gedetacheerd naar het Finse filiaal van ESA, om te werken op het bouwterrein van die kerncentrale, en gehuisvest in appartementen te Eurajoki, op ongeveer 15 km afstand van dat bouwterrein. Omdat de betrokken werknemers van mening waren dat ESA niet het minimumloon heeft betaald dat hun verschuldigd is overeenkomstig de Finse collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: ‘cao’s’) voor de elektriciteitssector en de sector bouwtechnische installaties, die krachtens het Unierecht van toepassing zijn, hebben zij ieder voor zich hun schuldvorderingen ter inning overgedragen aan de Finse vakbond. Partijen verschillen met name over de vraag of bepaalde loonbestanddelen wel of niet tot het minimumloon behoren. Volgens ESA verzet het Poolse recht zich bovendien tegen overdracht van loonaanspraken, zodat de Finse vakbond niet namens de Poolse werknemers kan optreden.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Wat de bevoegdheid van de vakbonden betreft oordeelt het Hof dat uit artikel 3 lid 1 tweede alinea van die richtlijn ondubbelzinnig blijkt dat kwesties die het minimumloon in de zin van de richtlijn betreffen, ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband, worden geregeld door het recht van de lidstaat waarnaar de werknemers worden gedetacheerd om er hun arbeid te verrichten, in casu de Republiek Finland. Op de eerste tot en met de vijfde vraag moet bijgevolg worden geantwoord dat Richtlijn 96/71, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, in omstandigheden als die van het hoofdgeding eraan in de weg staat dat een regeling van de lidstaat waar de onderneming is gevestigd die werknemers naar een andere lidstaat heeft gedetacheerd – volgens welke de overdracht van schuldvorderingen uit arbeidsverhoudingen verboden is – een vakbond als de Sähköalojen ammattiliitto belet een beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie van de tweede van deze lidstaten, waar de werkzaamheden worden verricht, om ten behoeve van de gedetacheerde werknemers voldoening te verkrijgen van aan hem overgedragen loonaanspraken die betrekking hebben op het minimumloon in de zin van Richtlijn 96/71, aangezien die overdracht in overeenstemming is met het recht dat in laatstbedoelde lidstaat geldt.

Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van Richtlijn 96/71, gelezen in samenhang met de artikelen 56 VWEU en 57 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat van het minimumloon bestanddelen van de beloning worden uitgesloten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, namelijk het basisuurloon of het garantieloon voor stukwerk overeenkomstig de loongroep, vakantiegeld, een dagvergoeding, een dagelijkse reistijdvergoeding en een vergoeding van de kosten voor huisvesting, die zijn vastgesteld in een in het kader van de bijlage bij die richtlijn in aanmerking komende cao die algemeen verbindend is verklaard in de lidstaat waarnaar de betrokken werknemers zijn gedetacheerd, of wat maaltijdbonnen betreft, zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen de gedetacheerde werknemers en hun werkgever in de lidstaat van herkomst. Het Hof wijst erop dat artikel 3 lid 1 eerste alinea van Richtlijn 96/71 een dubbel doel dient. Enerzijds beoogt deze bepaling eerlijke concurrentie te verzekeren tussen nationale ondernemingen en ondernemingen die grensoverschrijdende diensten verrichten, door aan laatstgenoemde ondernemingen de verplichting op te leggen om voor hun werknemers met betrekking tot een beperkte lijst aangelegenheden de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden te garanderen die in de lidstaat van ontvangst zijn vastgelegd. Anderzijds beoogt deze bepaling te verzekeren dat op ter beschikking gestelde werknemers, terwijl zij tijdelijk werkzaamheden verrichten op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, de aldaar geldende bepalingen voor minimale bescherming worden toegepast wat betreft de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden ten aanzien van voornoemde aangelegenheden (arrest Laval un Partneri, ECLI:EU:C:2007:809, punten 74 en 76). Onder voorbehoud van de in artikel 3 lid 7 tweede alinea van Richtlijn 96/71 verstrekte aanwijzingen is de opstelling – met het oog op de toepassing van die richtlijn – van een definitie van de constitutieve bestanddelen van het begrip minimumloon derhalve een zaak van het recht van de lidstaat waar de werknemer ter beschikking wordt gesteld, voor zover die definitie, zoals zij voortvloeit uit de toepasselijke nationale wetgeving of cao’s dan wel uit de uitlegging die daaraan wordt gegeven door de nationale rechterlijke instanties, niet tot gevolg heeft dat het verrichten van diensten tussen de lidstaten wordt belemmerd (arrest Isbir, ECLI:EU:C:2013:711, punt 37). In deze context moet worden opgemerkt dat het Hof met betrekking tot bepaalde bestanddelen van de beloning reeds heeft geoordeeld dat zij geen deel van het minimumloon vormen. Zo kunnen volgens vaste rechtspraak van het Hof toeslagen en bijslagen die volgens de wetgeving of de nationale praktijk van de lidstaat waar de werknemer ter beschikking is gesteld geen bestanddeel van het minimumloon zijn en die een wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt, overeenkomstig Richtlijn 96/71 niet als bestanddelen van het minimumloon worden beschouwd (arresten Commissie/Duitsland, C-341/02, ECLI:EU:C:2005:220, punt 39, en Isbir, ECLI:EU:C:2013:711, punt 38).

Vervolgens gaat het Hof in op de verschillende bestanddelen aan de hand waarvan de beloning wordt vastgesteld op basis van de Finse cao. Over de dagvergoeding die wordt uitgekeerd ter compensatie van de nadelen van de detachering, stelt het Hof dat deze vergoeding niet daadwerkelijk in verband met de terbeschikkingstelling gemaakte onkosten wordt uitgekeerd. Daarom moet die vergoeding worden aangemerkt als een toeslag in verband met de terbeschikkingstelling en vormt zij overeenkomstig de richtlijn een onderdeel van het minimumloon. Ook de vergoeding van de reistijd tussen de plaats waar de werknemers tijdelijk zijn ondergebracht en de plaats van de werkzaamheden wordt niet uitgekeerd als vergoeding van de onkosten die de werknemer daadwerkelijk in verband met de terbeschikkingstelling heeft gemaakt en moet daarom gezien worden als een toeslag in verband met de terbeschikkingstelling, dus als een deel van het minimumloon. De bekostiging van de huisvesting en maaltijdbonnen ter vergoeding van de kosten van levensonderhoud die daarentegen wel daadwerkelijk verband houden met de terbeschikkingstelling, vormen geen bestanddelen van het minimumloon. Ook al sluiten die bewoordingen enkel de vergoeding van daadwerkelijk in verband met de terbeschikkingstelling gemaakte verblijfkosten uit, en heeft ESA volgens de informatie waarover het Hof beschikt die kosten van de betrokken werknemers voor haar rekening genomen zonder dat zij de bedragen in kwestie hoefden voor te schieten of om teruggaaf ervan hoefden te verzoeken, de door ESA gekozen wijze om dergelijke kosten te dekken is irrelevant voor de juridische kwalificatie ervan. Wat de betaling van vakantiegeld betreft, wijst het Hof erop dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Daarom is het minimumvakantiegeld dat volgens de Detacheringsrichtlijn aan de werknemer moet worden toegekend voor het minimumaantal betaalde vakantiedagen, het minimumloon waarop die werknemer in de referentieperiode recht heeft.